Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

pijn, zeer; al ara en mal ara, adj.; N. J. lara, pijn, zeer, leed; als adj. verbasterd uitalara, pijnlijk aangedaan, ziek; Tombul. rara, rumara; Mig. rary, marary; in den zin van «jammer» Mak. en Bug. da ra. Eene andere uitspraak van rara is Roro (z. d.).

*2. Rara, warm jaargetijde; in d am u i rara «a drought when nothing is green». Vgl. Bat. rara, rood. lichtbruin ; si rara-on , van de rijst op 't veld «rood er uitzien», alsof zij verschroeid is.

3. Rara, zich bij 't vuur warmen; i-rara, waar of waarmede men zich verwarmt. Van denzelfden stam als 't vorige.

4. rara-botabota, rood; eig. rood van rijpheid of overrijpheid. Bat. rara, rood, lichtbruin. Eigenlijk dus hetzelfde woord als Rara 2 en 3.

Rasa, zeer groot; a ka vaka-irasa wordt vertolkt met «iets groots, iets wonderbaarlijks», doch tevens opgegeven als synoniem met a ka vakaidina. Daar dit laatste duidelijk «waarachtig, zeker» beteekent, zal rasa wel niets anders wezen dan Jav. das ar, grondslag, bodem, waarlijk. Het is evenwel mogelijk dat rasa ook zoo iets als «groot» uitdrukt, dewijl dasar wortelverwant is met Mal. bësar, groot. De eigenlijke beteekenis van dasar, rasa, alsook van Tombul. lësar, erf, plein, moet wezen «uitgestrektheid, wat uitgebreid is»; vandaar bësar «uitgebreid, uitgestrekt».

Ratu, Heer. Uit het eerbiedige Ra en Tu 1, heer(z. d.); O. enN. J. ra t u of datu, vorst; Sumb. ratu, priester; Tag., Bis. datu, Mal. dituq, stamhoofd; Bat. datu , priester; Ponos., Mong., Sang. datu (ratu), koning, hoofd; enz. Kortom, nagenoeg alle Indon. talen bezitten ratu of datu nog in den zin van vorst, heer^ priester. Ratu mai Bulu is op Fidji de titel van de godheid der veldgewassen.

Rau, bladeren van den kokosboom, ook als dak gebruikt. Andere uitspraak van Drau (z. d.).

Ravu, verpletteren, doodslaan, slachting, oorlog; veiraravui, wederk.; veiravu, slachting, moorddadig gevecht. O. J. römpü, N. J. rëmpu, verpletterd, zwaar gekwetst; rëmpon ofrarËmpon, elkander te pletter slaan, moorddadig vechten.

Rawa, bereikt, volbracht; rawata, bereiken, volbrengen, in staat zijn. Fag. da wat, bereiken. rawa-rawa, gemakkelijk; eig. (zeer wel) te bereiken .

Rengu, snuivend kussen. Sang. dengu (rengu), hetzelfde. Verwant met dengu en Jav. sengok, snuifkus.

rere, vrees, vreezen. Vgl. Jav. djërih, djirih, djëreh, bevreesd, beschroomd.

Rl, een enklitisch aanwijzend woordje na naam- en werkwoorden, bijv. a va 1 é-ri, 't huis daar; ongko-ri, die, dat. Bis. didi, hier; Tag. di en

5

Sluiten