Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Slü, hoek, uiteinde. Mal., Jav., Sumb., Tombul. siku, Bis., Ibn. siku, Tag. siku, elleboog, enz.

Soa (hoa), kameraad, gezel; koppelaar. Vgl. Day. sawa, Tag., Bis. a s a u a, gade. Uit de afleiding soania, eenen gezel hebben, volgt niet met zekerheid dat men als stam sauan moet aannemen.

Soè, doorboren. F. rJoka.

SOLO, handdoek. F. so1o ta, afvegen, zich afdrogen na 't wasschen.

soma en sema, makkers! vrienden ! Merkwaardige dubbelvorm, die ook in 't Jav. somah en semah, gade, bewaard is. Evenals soa hebben deze twee vormen in 't Sam. de beteekenis van «makker», terwijl in 't Indon. sawa, asawa, en somah, semah op echtelingen wordt toegepast. Vgl. F. s o m a en s e m a.

Sou, schuimen van de zee. Tombul. sëwu, Sang. sëbu, Tag. subu, schuim.

Sua, planten, ontginnen. Vermoedelijk hetzelfde woord als Sang. sua, planten.

Sui, plaatsvervanger. Jav. s u 1 i h. De / uitgevallen als in foi en sll.

Sul, naaien. Vermoedelijk Mal., Day. sungkit, borduren.

SuLI of SULU, de ware zoon. Aangezien Jav. s u 1 i h , behalve «plaatsvervanger» (Sam. SUl) ook een «jonge spruit» beteekent, en als zoodanig synoniem is met s u 1 ur, Day. su lo h, is het niet onwaarschijnlijk dat men suli met su 1 i h , en su 1 u met sulur gelijk te stellen hebbe. Maar su 1 u zou ook 't Mal. s u 1 u n g, voornaamste zoon, kunnen wezen.

1. SULU, fakkel, licht. Mal., Jav. s u 1 u h, Tag., Bis. s u 1 ü. Tombul. sul u, Ibn. tulü.

2. SULU, plonger, s'enfoncer; se réfugier; SULUFANGA, toevlucht. Jav. su ru p.

Sunu (pahunu), branden. Zie Masunu.

SUSU, borsten; zuigen. F. suJu en s u s u. Mao. heeft u, voor u-u, en dit zou beantwoorden aan een F. (Ju (Ju. In samenstelling wai-u , zog, melk, = Mal. a y a r s u s u.

T.

1. Ta, slag; tata, slaan. Jav. tak, tak tak.

2. Ta = ita, wij (ik). Zie bl. 264 hiervóór.

3. Ta, gij en ik. Zie bl. 264 hiervóór.

1 aa, voorvoegsel dat in waarde gelijkstaat met ons suffix aard, en er. Tag., Bis., Ibn. taga, Tombul. taha. Bijv. taa-newa, vagebond, landlooper; taa-noa, weduwnaar, weduwe; taa-milo, draaier, twijner;taawao, in de bosschen leven.

Sluiten