Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is en den klemtoon verliest. Het spraakgebruik maakt tusschen im en um dit onderscheid, dat het eerste woord —, het tweede zinverbindend is. In 't Erom. is ma geworden im en 't eerste vóór medeklinkers, het tweede vóór klinkers.

HOOFDSTUK II.

Lidwoord.

't Lidwoord voor gewone attributieve substantieven in 't enkelvoud is n a, dat vóór klinkers n wordt, vóór medeklinkers in (soms un) dus n'eom een huis; in pege, een land; doch na 't voorzetsel a, in, op, is het n; dus an pege Jutaia, in het land Judaea. 1 Gewoonlijk laat zich dit lidwoord met ons zgn. onbepaald lidwoord vertalen; dus n'eom, een huis. Eigenlijk is dit toch niet geheel onbepaald; wanneer ik zeg: «ik zie daar een vogel vliegen», dan heb ik toch een bepaald voorwerp op 't oog, al is het niet vroeger vermeld, noch nader bekend. Wanneer 't substantief nader bepaald wordt door een genitief, possessief-suffix, bijvoegelijke of andere bepaling staat 't lidwoord gelijk met ons bepalend lidwoord; bijv. n'aopan ijehki, die tijd; Jakobus in hal o Sebetaius, Jacobus, de zoon van Zebedeus. Als gezegde mist het naamwoord 'tlidwoord; bijv. El et Hal a Atua aiek, indien Gij Gods zoon zijt. In 't mv. blijft het lidwoord achterwege; soms wordt 't naamwoord voorafgegaan door ilpu; bijv. ilpu atimi, meerdere menschen, menschen.

Als lidwoord voor eigennamen, woorden die het karakter hiervan dragen, de persoonlijke voornaamwoorden en ook vragende voornaamwoorden als ze op personen slaan, dient a, doch gewoonlijk alleen wanneer die woorden 't subject van den zin zijn. Bijv. a Tevit, David; a Atua, God; a etmak, mijn vader, a risim, uw moeder; a etwan, zijn broeder; ainyak, ik,doch ny ak, mij; a di, wie? (doch i n he, wat?). Voorts staat a vereenigd met het lidwoord 11, i n bij woorden die een redelijk wezen of verpersoonlijkte begrippen, buiten de zooeven genoemde kategorie, aanduiden, Bijv. a n'angelo, de engel; is ika a n'atimarid, de landvoogd zeide; a n'atimi ehnang i tai, de dieven (dievig volk), Matth. 27, 44; a N'esngan Upene, de Heilige Geest; a Intas, het Woord, Joh. 1, 1, blijkens de hoofdletter verpersoonlijkt. Meermalen blijft bij deze kategorie van woorden a achterwege zonder dat de reden te ontdekken is; bijv. et mun mas in hal unyum, uw kind is gestorven, Luk. 8, 4; is wat ato in takata iyehki, toen die vrouw merkte, 8, 47; eru wit eti leh gaua n'atimi, als men (eig. men-

1 't Voorzetsel is a, zooals bij de voorzetsels zal aangetoond worden, niet an, zooals de bijbelvertalers en Inglis aannemen. In Lukas 5, 1 staat u unj op, zoodat un hier gelijk in is; liet zal wel eenvoudig een vocalische n zijn; daarentegen u i n j o p, Mattli. 13,1. Ik lioud u un j op, d. i. bij de zee, eenvoudig voor een verkeerd begrepen u n'j op.

Sluiten