Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Matth. 3, 16; wanneer men onmiddellijk daarop leest: is ahes an (1 .d) n'ohatang n'ohran tah, er kwam uit den hemel eene stem, dan mag men daarom a nog niet als Ablatiefpartikel beschouwen, want bij begrippen als «uitgaan, weggaan» is het in de verwante talen niet ongewoon dat het punt van uitgang door een Locatief— en a is een Locatiefpartikel — wordt aangeduid. In den Engelschen tekst luidt het eerste: » went up out of the water; » het tweede: «a voice from heaven.» Als Ablatief of Locatief moet men beschouwen de reeds onder den Genitief aangehaalde zinsnede e t e m d a a Atua par imyiatidai ilpu halav ira hat iji eingki, van deze steenen, Matth. 3, 9, waar 't Engelsch heeft: God is able of these stones to raise up children unto Abraham. Voorbeelden dat bij personen irai i gevorderd wordt zijn: eris fortiin a ilpu retpon asenga ahes ira i Ebraham um yetpan ira i T evit, al de geslachten (eig. voorouders) van Abraham af tot aan David, Matth. 1,17. Op goeden grond zou men kunnen beweren dat ira i, hetwelk bij een meervoud 't voorzetsel a, te, in, vervangt, eigenlijk het teeken is van een Locatief bij begrippen als «uitkomen, verwekken» e. dgl.; zoo ook in: is ahes aien ira i mai ij eris ikni atimi emesmas iran, hij kwam uit holen van rotsen waar dooden gelegd waren (ter vertaling van «tombs»;, Mk. 5, 2; doch dit verandert niets aan 't feit dat in 't enk. bij personen niet a, maar ira i gebezigd wordt. In overeenstemming hiermee wordt ira ook verbonden met de possessieven, zoowel enk. als mv.,dus irak, iram, iran, van (Abl.) mij, u, hem of haar. Verkeerd is dus de schrijfwijze ira ra voor irara in Matth. 2, 16: ahes irara ero in mesese irara, te beginnen met hen die twee jaar waren.

Hetzelfde woord wordt ook gebruikt om na een comparatief begrip ons «dan» uit te drukken, als hoedanig het geheel overeenkomt met den Ablatief in 't Sanskrit, Latijn, enz. In 't mv. bij zaaknamen bijv. (et) esjilid ira i efeleligai asenga, het is grooter dan alle kruiden, Mk. 4, 32; in 't enk. bij personen: et idim esjilid irak aien, hij is waarlijk grooter dan ik,Joh. 1, 27, Matth. 3, 11. Treffend ten opzichte van 't eigenaardig gebruik van ira bij personen in 't enkv. is de overeenkomst van 't Erom. met A. Dus luiden de woorden uit Matth. 3, 11 in Erom.: momu horong irang, machtiger dan ik. Ook in 't mv. bij zaaknamen; iranda ovën Slëngon nê su, dan zij, de vele kruiden, Mk. 4, 32. Nu beantwoordt Erom. ra, te, in, aan A. a, niet vormelijk, maar in beteekenis; ook in deze taal volgt ra op begrippen als «uitkomen,» waar wij ablativisch «van» bezigen; bijv. ëngi nam ëmamnera n'averan eni Nobu, door het woord dat uit Gods mond komt, Matth. 4,3; vl. parallelplaats A.: vai in tas asenga ahes a n'ipjin eugse Atua. Maar anders sai n'avian yemne u n'isong pokop, eene stem kwam van uit (binnen) den hemel. 17, waar A. a n'ohatang heeft:

Sluiten