Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geassimileerd tot iny en daarna, de dubbele medeklinker vereenvoudigd. Arid-jai is «opstijgen», uit arid, stijgen, en jai, naar boven; 't substantief ridjai, eigenlijk «opgang», beteekent «'t Oosten». Jai is Day. daki, mandaki, Filipp. Negrito dakai, bestijgen. Duidelijk is dit jai ook vervat in as-jai, opklimmen. Zulk een samengesteld wkw. wordt echter een secundair stamwoord en kan 't suffix z, ni aannemen; dus atijaing, voor atij-

aini, boven opzetten.

De substantieven zijn voor een groot deel stamwoorden die geen ontleding toelaten. Afgeleide substantieven zijn dezulke waarin men een stam en een formatief kan herkennen, bijv. iseug, stok, uit i en tëkon, Pi. i-toko, eig. iets dienende om te leunen. Hieruit blijkt dat het instrumentaalprefix i eenmaal even gebruikelijk moet geweest zijn in 't A., als in 't Fi., Mota, Florida, Motu ; bijv. Mota ilango, roller, Fi. ilango; Motu ikoko, nagel, terwijl 't wkw. kokoa, nagelen, beteekent ». Een ander voorvoegsel, dat niet alleen in 't A., maar ook in de verwante talen verouderd is en schaarsch voorkomt, is han of an, in hakli, ei, Oj. hantëlu, Tomb. atëlu', Malag. atody, Day. hantëloh, naast tantëloh, doch Tag., Bis. itlog, terwijl 'tMal. zonder voorvoegsel tëlor heeft. Hetzelfde voorvoegsel bestond echter ook in 't Mal., blijkens hantimon, naast timon, komkommer, Lamp. antimun, Bat. ansimun, Bis. atimun, Day. hantimon naast tantimon, Iban. asimun, doch Malag. zonder voorvoegsel

tsimundry, Fi. timo.

Eenige verwantschapsnamen vertoonen een stam met een voorgevoegd bestanddeel f, etma, vader, uit tama of tamang, d.i. ama en voorgevoegd ƒ of të; etpo, voorvader, stam upu of umpu; risi uit rë + si, uit tina, stam ina. De t in deze woorden voor vader en moeder, alsook voor «jongere broeder» is karakteristiek voor de talen der Stille Zuidzee, terwijl de Westelijke verwanten ra, da hebben. Wel bestaat tina ook in het Tomb. en elders, maar in de beteekenis van «wijfje», en Mal. betina, als vrouwelijk wezen (van menschen en dieren), al zijn de woorden etymologisch dezelfde. In risi is een merkwaardig overblijfsel bewaard gebleven van een taaleigen, dat in 't Mota thans nog een algemeene regel is: zie boven blz. 167.2

Samengestelde substantieven zijn in 't A. niet vreemd; bijv. atamaing, man, uit ata, ouder ata, mensch, en maing, uit mani, mannelijk; atahing, vrouw, van hing, uit vini, Oj. bini, Mota tavine, met verkorting van ata tot ta; atmas, spook, geest, van mat uit mate, dood, Mota ta-

1 Vgl. voor 't gebruik van prefix i in de Filippijosche talen, het Tomb. en Sangirsch, De Fidjitaal (1886), p, 53, vgg. [zie dezen herdruk dl. IV, 1916, p. 296, vgg.]; m 't Mota, enz. Codrington o. o. p. 262; vgl. p. 146.

2 Vgl. Codrington o. c. p. 238.

Sluiten