Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

we'ha', enz. «zwaar». Apos, uit apoti, waarin 't trans, begrip is uitgedrukt door suff. i, terwijl hetzelfde in Flor. vahua geschiedt door pref. va.

Apro, vangen. Misschien. Erom. ëmprok, stelen.

Aputu of Apotu, een vrouw dooden of worgen om haar gestorven man te volgen. Mogelijk Mal. mëmutung, den hals afsnijden, st. putung; Sam. mutu, afgesneden.

Araahon = Arahon, to finish; to complete. Vgl. Lakon won, complete. Ahon, bijvorm van ahn, waarvan ahni, met suff. i, z. Ahni. Ara schijnt z. v. a. «bereiden» te beteekenen.

Arafara, Arefara of Arofara, pandanusbladen bereiden. F ara is Pandanus, Sam. fala, Oj., Nj. pandan, Mal. pandan, Sumb. panda, Tag., Bis. pangdan, Iban. paddan, Sikka peddang, Rotti hendak. Are of aro heet «garen; arase of aresei», plukken.

Arah pan, to seize. Daar pan «weg» beteekent, kan de vertolking niet juist zijn; het lijkt op Mota rave, trekken. Doch wegens de andere uitspraak arop, to seize, zou men ook aan Oj., Nj. rëbut, zoeken te ontweldigen, kunnen denken.

arap-arap, sunset. Eer: avond, invallende duisternis. Erom. po-arap, avond; Mota rav-rav, avond, 't donker van den avond. Verder onzeker, of men dit gelijk mag stellen met Tag., Bis., Iban. gabi, Iloko rabiy,Sang. hëbbi, Niasch owi, nacht, avond, dan wel of rap, rav dezelfde wortel is als dien men in Jav. sërap, zonsondergang, aantreft. In elk geval is r in a., Mota en Erom. voor den gutturalen triller ongewoon ; evenwel ook in 't Iloko is ze in r overgegaan.

Are gai, brandhout zamelen. Gai is «hout»; z. onder de In. Are, ara, aro wordt vertolkt nu eens met «to collect, to gather» dan weer met «to prepare». Vermoedelijk ligt in re, ro, ra het grondbegrip van verzamelen, bijeenvoegen, en is het te herleiden tot rëng, (dëng), dat deel uitmaakt van Jav. sarëng, parëng, barëng, waarin 't begrip van «samen» ligt; een afleiding van denzelfden wortel is Mal. dëngan, met; Day. dëngan, met; mandëngan, begeleiden.

Ari, met doorns bedekken. Uit pref. «'of«, ri, en suff. i. Ri = Oj. rwi, Nj., Sumb. ri, Bat., Mal. duri, Day. duhi, Lamp. wuy, Ponos., Mong. d u g i, Dawalor w u r, Kisar r u r i, Binongko o r u i, Sawu h u n i, doorn. Hetzelfde woord in andere verwante talen in den zin van «graat, been».

Arid, hoog, verheven ;atimiarid,atimarid, hoofdman ; in de bijbelvertaling ook: koning, landvoogd. Arid jai, opgaan, opklimmen; ari jai, to go a shore, blijkbaar slechts een andere spelling van ari dj ai. Jai is «naar boven», 't substantief ridjai is «'t Oosten», eig. opgang (der zon). R i d = Mal. diri; bërdiri, oprijzen, recht opstaan ; A. a kan in waarde

Sluiten