Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mal. tutuq, Sam. patutu(= Mal. batutuq). Wortel t u k (zoo nog Jav.), klop; vgl. Makass. p a n t u k a , knods.

Atelmoi, begraven. Afleiding met suff. oi = ai, aki of ani, moeielijk uit te maken, doch Erom. tenemi, Matth. 27, 7 heeft duidelijk suff. z'; van telm, ouder tanëm, Oj. tanëm, ananëm, Bat. tanom, Iban. tanam, Sam., Mao. tanu (passief tanumia), begraven; Nj., Tomb. tanëm, Bis. tanom, Tag. tanim, Mal. tanam, planten; Mota tanu, bedelven. Voor den overgang van n in l, zie Almoi, en Aluma.

Aterai, begeleiden. Erom. etori, Oj. angatërakën, Nj. angatër en angatërake, begeleiden; Oj. angatër ook «aandragen, vervoeren»; Bis. hatod, st. van «aandragen, vervoeren, begeleiden».

AteuG, zitten. Fi. tiko, Motlav tig, Esp. S. sigi. Een varieteit van dezen stam heeft u, o; zoo Erom. tuok (voor tuko), er zijn ; Flor. tuguru, Oba toga, zitten; Mota toga, verblijven, ergens zijn;Motlav: zitten;Sam. toa, zitten. In de meeste gevallen (behalve in Erom.) ging de stam op een medeklinker uit, en wel een r\ van daarMota togara, gedrag, terwijl Lo tjigar, gedrag, heeft. Doch daarnaast Mota togava, verblijf. In de verte verwant zijn Benten. tikil, Tomb., Tont. tëkël, rusten; en Tomb. tëka, zitten.

Ateug se, nederzitten. D. i. ateug met se, neder.

ATNGO, to walk, to go ; (ook: vertrekken). Malag. tonga, komen; Flor. tona, vertrekken; Vaturanga juna; Sund. tëng op den loop; iteratiefintensief tërëngtëng, hard loopen; tërfg maakt deel uit van Oj., Nj. datëng, gekomen; komst; Nj. ook: gaan; Mal. datang, komen; Tag., Sang. dating, aangekomen. Atnga wordt steeds geconstrueerd met den Genitief van 't pers. vnw. overeenkomende met het onderwerp ; bijv. eris wat atnga ura ara, toen zij vertrokken waren, Matth. 2, 13. Dit laat zich verklaren, daar tnga, ouder tëngan, vormelijk een substantiefis; atnga ura is in de voorstelling: hun tocht aannemen. Evenzoo: (is) atnga o-un, ging zijns weegs, Matth. 3, 16.

ATNGEI, dooden Sam., Marqués, tinai, Mao. tinei, dooden, uitblusschen.

Athai, vastmaken; opbinden; vastmeeren. Van w. tëp, waarvan Oj., Nj., Sund. tëtëp, vast, vastgesteld, enz. Day. atëp, slot; sluiting. Athai uit <rz tëp -|— suffix aki.

Atiiei, to cover an oven ; to make firm a post with earth. Dit zal wel een andere uitspraak zijn van Athai.

athi-athi, een voor een. Uit thi (e thi), één, met pref.a, dat hierin wel de beteekenis van «met» zal hebben.

Atiio, to boil, to cook. Vgl. Jav. tapung, (rijst) voor den eersten kook op 't vuur zetten ; Bal. tëpëng.

Sluiten