Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

munum ofmunuum, aholeforcooking; oven, vuurplaats. Mu heet «opening»; in de bijbelvertaling steeds ma, wat beter strookt met Mota maea, open ruimte. Um, niet uum, in A. anders verouderd, ten minste nergens opgeteekend, is duidelijk Erom. om, vuur, dat ik elders nog niet heb aangetroffen.

Nyum, mug = Yum.

paing, reiger. Mal., Day. bangau, Oj., Nj., Sund. bango. Paing moet ontstaan zijn uit pangi, dit uit pangu.

PAS, bijl. Bis. wasay, Iban. watay, bijl. In de meeste verwante talen heeft hetzelfde woord de beteekenis van «ijzer»; Mal. bësi, Jav. wësi, Makass. bassi, Bug. bëssi, Tont. wasei, Benten. oasei, Sang. uase, Mongond. watoi, Ponos. oase, Bat. bosi; terwijl Fi. vesi, speer, beteekent, en 't afgeleideadj. vesivesia, hard.De bewerkingvan 'tijzeris, merkwaardig, 't meest ontwikkeld bij de minst ontwikkelde MP. stammen, zooals de Dayaks en de Igorroten.

Pas aduwi, bijl om hout te kappen. Aduwi kan hier niet zijn wat bij aduwi wordt opgegeven, nl. «to set up a pillar»; het staat voor atuwi, in beteekenis = Jav. nutuwi, takken afkappen, besnoeien, van st. tatuh, geredupliceerd tutuh. Ook Oj., bijv. tinutuh ring paragwadha, werd door den bijl doorgehakt; tinutuhan; getopt, onttakt.

PEGE, landstreek, country. Vgl. Sang. wëka, bëka, zijde, kant.

plng, vandaag. Kwalijk juist, want ping is nacht (z. Eping onder deN). en z. v. a. etmaal, dewijl men bij nachten telt.

Raimu, broeder, neef of nicht, Hetzij uit ra, een gemeenschap aanduidende als bijv. in Jav. rowang, gezel, en imu = imo, oudere vorm van im, eom, huis, of staande voor rahimu, in welk geval rah zou kunnen beantwoorden aan Erom. rav (ra vi, rave), mv.van ave, avi; bijv. rapmi(voor ravmu), uwe broeders, Matth. 12. 47.

rldjal (ontbreekt bij Inglis), 't Oosten. Z. bij Arid.

Rohos, ground to be cleared. Vgl. Jav. rumputan, met gras begroeide plaats; rompot, dicht begroeid met struikgewas en geboomte.

taingtaing, smart; mv. eh tingtaing. Eh = he; de juistere beteekenis moet zijn: gejammer; mv. jammerklachten. Z. Taing.

Tak, taka, ander. Eig. «volgende»; a'n tak apnyin, den volgenden dag. Mota tataga, volgen. Vgl. apitag.

Takata, vrouw. Eig. de andere mensch.

Tal, taro. Oj., Sund. talös, Nj. talës, Sam. talo, Mao. taru, Fi. dalo.

Tan, roode aarde. MP. tan ah, grond, aarde.

Tan apol, klei. Tomb. tana pulut. Dus apol, klevend; z. d.

Tap (ook taup), a sacred place. Onnauwkeurig uitgedrukt; niet een

Sluiten