Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

yatnavanto Yavadvïpam saptarajyopagobhitam | Suvarnarupyakadvipam suvarnakaramanditam ||

Yavadvïpam atikramya £igiro nama parvatah |

divam sprgati gnigena devadanavasevitah ||

«(Doorzoekt) zorgvuldig Yavadvipa, waarvan zeven koninkrijken het sieraad uitmaken, het goud- en zilvereiland, rijk aan goudmijnen.1 Voorbij Yavadvipa is de berg (^ira geheeten, die met zijnen top den hemel raakt en door goden en demonen bezocht wordt.»

Opmerkelijk is hier de indeeling in zeven koninkrijken, die eeropSumatra van toepassing zou wezen. De berg (^ira (d. i. koud, koel) is zuiver fabelachtig; hij maakt de uiterste oostelijke grens van de aardrijkskundige kennis des dichters uit, want verder op worden geen landen, wel fabelachtige zeeën genoemd. Zou £igira eene vervorming zijn van een misverstaan pasisir «strand»? Doch, laat dit wezen wat het wil, van aanbelang is het niet. — De bewoordingen van het Ramayana omtrent het goud- en zilvereiland zijn in 't oorspronkelijke niet vrij van dubbelzinnigheid, doch die is niet grooter dan in de vertaling, en nu zou het toch, dunkt me, eene zeer gedwongene verklaring wezen, als wij hetzij uit het oorspronkelijke of uit de vertaling wilden opmaken, dat er behalve van Yavadvipa nog van een ander eiland sprake was. Verreweg de eenvoudigste opvatting is deze, dat goud- en zilvereiland eene omschrijving is van Yavadvipa. In allen gevalle is Yavadvipa het oostelijkst gelegen, want daar voorbij komt men aan de grens der aarde. Uit den rijkdom aan goud, die zoo uitdrukkelijk op den voorgrond gesteld wordt, zou men al wederom aan Sumatra denken. Vergelijkt men de opgave in 't Ramayana met die in Ptolemaeus, dan mag men met genoegzame zekerheid vaststellen, dat, wat ook met Yavadvipa bedoeld zijn moge, in allen gevalle het goudrijke Yavadvipa des Indiërs en het goudrijke Iabadiu des Alexandrijns één en hetzelfde zijn.

Het bericht in het Ramayana zoude aanmerkelijk in waarde winnen, indien men wist uit welken tijd het dagteekent. Daar dit niet het geval is, moeten we ons voorshands met eene ruwe benadering vergenoegen. Zoo we de boven aangehaalde regels en 't geen er bij hoort, vergelijken meteen stuk uit het 1- Boek, Hoofdstuk 55, vs. 3, waar op de Romeinen gezinspeeld wordt, dan vinden we noch in stijl noch in versbouw eenigen grond om de beide stukken niet voor gelijktijdig te houden. Nu kan er toch bij de Indiërs kwalijk sprake geweest zijn van de Romeinen vóór den tijd van Julius Caesar. Aan den anderen kant onderscheiden zich stijl, taal en vers-

» De tekst heeft suvar^akara, derhalve «rijk aan of prijkende met goudsmeden». Niettegenstaande ook de commentaar zoo leest, is het klaarblijkelijk niets anders dan eene afsehrijversfout voor suvarriakara.

Sluiten