Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den jongen geweest, die mij 'n sneeuwbal tegen m'n hoed smeet!"

Piet verschoot van kleur, er nu pas aan denkend wat een domheid hij had begaan.

„Nu ja," suste oom dadelijk, toen hij zag, hoe verschrikt Piet hem aankeek, „ik zal je niet kielhalen voor dat grapje, hoor."

Moe en Pa lachten Piet hartelijk uit, nu hij zoo in de klem zat.

„Ik heusch niet, oom, Hans ziet U — en ik —" stotterde hij.

„Och jongen, loop naar de haaien!" lachte Oom, „denk je, dat ik zoo'n sneeuwbal als een moordaanslag beschouw? Ik mag dat wel, hoor. Maar kijk voortaan wat beter uit en loop geen menschen om. En luister nu eens, jongen ; ik heb al een mooi plannetje met je vader besproken, namelijk, dat jij, als je tenminste lust hebt en een flink ontwikkeld mensch geworden bent, bij mij in Indië zult komen als administrateur op de koffieplantage. Wat denk je daarvan?"

Van blijdschap maakte Piet een sprong van zijn stoel, waarbij hij onvermijdelijk tegen de tafel terechtkwam en zijn glas melk omwierp. En toen begon

Een Ongeluksvogel. 2

Sluiten