Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Je mag 't een geluk noemen," hernam Nardings, „dat je kind noch kraai op de wereld hebt. Je bent een vrij man, kunt gaan waar je wilt en hebt voor

niemand te zorgen."

Huib keek voor zich heen, z'n oogen werden

vochtig.

„Dat is waar," zei hij zacht. „Mijn lieve vrouw

is al tien jaar dood."

Nardings schrikte.

mDus — je was getrouwd ?" vroeg hij. „En gelukkig," voegde Huibert er bij. „We woonden in een lief klein huisje in Amsterdam. We hadden een allerliefst dochtertje, Greta heette ze. Als ik na eenige maanden weer van een reis was, leek het wel feest in onze kleine woning. De kleine Greta zat op m'n knie en klemde haar mollige armpjes om mijn hals, we speelden met elkaar en

de tijd vlóóg om.

Toen maakte ik met de „Albatros" een reis naar

de Molukken, ik werd in de Indische Archipel zwaar

ziek, en het duurde wel anderhalf jaar, voor ik weer

naar Holland terug kon. Wat is die tijd me lang

en zwaar gevallen. Toen ik in Amsterdam terug

Sluiten