Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

twintig huisgezinnen wonen, die allen dezelfde trap beklimmen, hetzelfde portaal gebruiken en waar armoede en gebrek maar al te vaak op bezoek komen.

Met groote moeite en inspanning beklom Huib de drie trappen, die naar zijn zolderkamertje leidden. Hijgend van vermoeidheid kwam hij er aan. O die trappen, die trappen ! Het kamertje zag er overigens niet onaardig uit. Er stond een tafeltje met twee stoelen en een één-persoons-ledikant was tegen den wand geschoven. Aan de muren, schuin oploopend naar den nok van het dak, hingen kleurige prenten zonder lijst, geknipt uit weekbladen. Het raamgordijntje was helder wit en door het venster had Huibert het uitzicht op een massa tuintjes van de benedenhuizen in de buurt. Een klein kacheltje stond in een hoek van 't kamertje en stak zijn pijp recht door de zoldering.

Het was Januari. Lang had de wintervorst op zich laten wachten, en eindelijk, toen men reeds aan het voorjaar begon te denken, had hij met plotselinge sneeuwbuien en ijsbanen z'n intocht

gehouden. Het was zeer koud op Huiberts kamertje,

Een Ongeluksvogel. 7

Sluiten