Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

achttienduizend duizend gulden, nietwaar?"

„Op z'n minst, want de rest... Wat is er, wat kijk je ineens vreemd?"

„Ik meende wat te hooren in den kelder."

„Dat zullen de ratten zijn, er is in geen dagen iemand hier geweest en de heele kelder staat vol vaten en flesschen. Kom — nu weer voorzichtig naar buiten."

De traptreden kraakten.

Het deurtje werd opengedraaid en kort daarna weer zachtjes toegetrokken.

Met klimmende verbazing had Huibert Tjerkstra dit gesprek aangehoord. Hij verheugde zich over zijn slapeloosheid en was overtuigd, dat dit zoo moest zijn om het verdere verloop van de misdaad te beletten. Nog wel een kwartier bleef hij luisteren, of een der roovers ook zou terugkeeren. Maar alles bleef stil. Huibert achtte het nu beter om tot het aanbreken van den dag te wachten, daar hij in de donkere kelderruimte den weg niet wist en hoogstwaarschijnlijk door het omgooien van flesschen een alarmeerend lawaai zou maken. Hij trachtte daarom

Sluiten