Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de koopman hen nog een oogenblik nastaarde en dan zijn weg vervolgde.

Na een kwartiertje hadden de jongens den Plas bereikt. Het was een uitgestrekt meer, ontstaan door het steken van turf, waardoor een breede, diepe kuil in den grond gekomen was, waarop het water der omliggende polders zich loosde.

De hond keek de jongens met droefgeestige oogen aan. Hij kreunde alsof hij zeggen wou: „wat gaan jullie nou met me doen?"

Loe werd, ondanks zijn hardvochtigheid, door dien blik getroffen en onwillekeurig streelde hij den kop van het dier.

„Arme hond," fluisterde hij zachtjes.

„Hier heb ik een paar flinke steenen," zei Japie, naderbij komend.

„Wat moet je daarmee?" vroeg Loe.

„Wel, om zijn nek binden, natuurlijk."

„Dat zal je wel laten."

„Nou nog mooier, wat wou jij dan?"

„Wel, ik vind het eigenlijk jammer, om dat mooie beest te verdrinken," zei Loe, den hond streelend.

„Mooie beest, hahaha!" lachte Japie. „Een

Sluiten