Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zachtjes in 't suizende morgenkoeltje. Aan den overkant staken een paar watermolens vroolijk de wieken in het gouden zonlicht, scherp afstekend tegen de blauwe lucht. In de verte loeide een koe.

„Kijk eens," riep Loe, die een poosje in dezelfde richting had zitten turen. „Kijk eens, ligt daar niet een bootje?"

„Ja," zei Japie. „Wou je varen?"

„Waarom niet?"

„Durf je?"

„Ik wel. Ga je mee?"

„En als de man van de boot nu komt?"

„Dan zijn wij er ook! Vooruit, wat hindert dat nou, of wij even gaan varen ?"

Het bootje lag met een touw aan een paaltje gebonden. In een wip had Loe de knoopen losgemaakt en was met Japie ingestapt. Dat was iets nieuws! Zij hadden geen van beiden verstand van roeien en het ging daarom dan ook heel gebrekkig, maar toch hadden ze veel pret, toen het bootje langzaam over de golfjes gleed. Helaas, dat genoegen was van korten duur, want nauwelijks hadden ze ongeveer het midden van het water bereikt, toen er

Sluiten