Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een stem over den plas klonk, die beiden deed omkijken.

„Hei daar! Hier met de boot!"

Een man met een breedgeranden stroohoed stond op de plaats, waar de jongens in het bootje gestapt waren. Hij zwaaide Loe en Japie toe, dat ze moesten terugkeeren.

„Daar heb je 't al," zei Japie.

„Niet doen hoor," sprak Loe, „die man zou wel zin hebben om ons bont en blauw te slaan, maar hij moet een knappe jongen zijn, als hij mij te pakken krijgt."

„Wat wil je dan doen?"

„Stil blijven liggen en kijken, wat-ie doet."

Toen de eigenaar van de boot zag, dat de jongens niet verkozen terug te keeren, liep hij ijlings een eind verder, waar een tweede boot tusschen het riet dobberde. Hij sprong er in, maakte het touw los en begon te roeien.

„Hij komt ons achterop," riep Japie.

„Roeien, roeien, wat je kan," riep Loe, en zelf ook een riem pakkend, probeerde hij den vervolger vóór te blijven. Maar och, de jongens hadden den

10*

Sluiten