Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mijn mond sprak deez' lofspraak op u,

Die ik uit uw werken ken,

In 't drukst gewoel, op de eenzaamste plek,

Verheerlijkt u steeds mijn pen.

Aanziet de leliën des veld.-.

Zy werken niet, op mijn eer;

En toch zün zü schoon, zooals Salomo zegt.

De bloem der wereld is J. M. Bbaer.

„James."

Terwijl de jongens het uitproestten over deze ontboezeming — die in allen ernst gezonden werd las hun moeder een aantal edelmoedige aanbiedingen van nieuwe tijdschriften, die haar werken gratis wilden opnemen ; een langen brief van een jonge dame, die ontroostbaar was, omdat haar geliefkoosde romanheld stierf en „of mevrouw Bhaer de vertelling niet wou overschrijven en er een ander slot aan maken?" en een anderen

van een verbolgen jongmensch, wien een handteekening was geweigerd en die haar nu geldelijken ondergang en verlies der publieke gunst voorspelde, wanneer zij niet voldeed aan zijn verzoek en aan dat van alle andere jongens, die handteekeningen, portretten en levensgeschiedenissen wilden hebben; een predikant wenschte te weten welk geloof zij was toegedaan, en een hesluitelooze maagd vroeg welken van haar twee minnaars zij haar hand zou geven. — Deze staaltjes zijn voldoende om aan te toonen, op welke wijze men beslag duifde leggen op den kostbaren tijd eener werkzame vrouw, die waarlijk genoeg om handen had, en tevens om mijn vriendelijke lezers en lezeressen te doen begrijpen, dat het tante Jo ónmogelijk was, allen even uitvoerig te beantwoorden.

„Dat karreweitje is afgeloopen. Nu zal ik wat stot ainemen en dan aan mijn werk gaan. Ik ben ten achter geraakt, en tijdschriften kunnen niet wachten; dus geet Federeen niet t'huis, Mary. Ik sta niemand te woord vandaag, al kwam koningin Victoria in hoogt eigen persoon. En mevrouw Bhaer wierp haar servet neer, als wilde zij de geheele wereld tarten.

Sluiten