Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Mevrouw Bhaer nam zich onmiddellijk voor deze uitgelaten stad nimmer te zullen betreden en antwoordde zoo vriendelijk mogelijk op alle vragen, die de vijf dames haar verkozen te doen. Eindelijk, nadat zij haar naam in de albums had geschreven, elk der bezoeksters van een aandenken had voorzien en zich door hen had laten omhelzen, gingen zij heen, om bezoeken af te leggen bij „Longfellow, Holmes en de rest," die, naar mevrouw Bhaer hartelijk voor hen hoopte, geen van allen thuis zouden zijn.

„Nare jongen, waarom gaf je mij geen gelegenheid om weg te komen. Och! Och! wat heb je dien man een leugens verteld! ik hoop dal deze zonden ons niet zullen worden aangerekend, maar ik weet heusch niet, wat er van ons worden moet, als wij niet zulke uitvluchten zoeken. Zoovelen tegen één is ook geen eerlijk spel." En zuchtend over de hardheid van haar lot, hing mevrouw Bhaer haar boezelaar aan den kapstok in de gang.

„Er komen nog meer menschen de laan op! Ik zou maar maken dat ik weg kwam, nu de kust nog vrij is! Ik zal hen wel even te woord staan," riep Teddy, toen hij klaar om naar school te gaan, zich op de stoep nog even omkeerde.

Mevrouw Bhaer vloog de trappen op en zat, na haar deur te hebben gesloten, kalm toe ie kijken hoe de meisjes van de jongedames-kostschool in de laan postvatten en, nadat hun den toegang tot het huis was ontzegd, zich verder vermaakten met haar bloemen af te plukken, hun haar op te maken, een soort pic-nic te houden en ronduit hun meening te zeggen over de plaats en haar bewoners, voordat zij den terugtocht ondernamen.

Gedurende een uur heerschfe er stilte, toen de bel weer overging en Mary gichelend boven kwam met de boodschap: „dat er een heel vreemde dame was, die verlof vroeg, in den tuin een sprinkhaan te mogen vangen."

„Een wat?" riep mevrouw Bhaer, terwijl ze van verbazing haar pen liet vallen, en daardoor een vlek op haar werk maakte; want dit was wel het zonderlingste verzoek dat haar ooit gedaan was.

Sluiten