Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het mij goed doet. Wat zou ik haar graag eens ergens terugzien, maar ik geloof niet, dat het ooit gebeuren zal."

„Houd het gerust. Ik heb het eens van mijn moeder gekregen en als je er in leest, tracht dan te gelooven, dat geen van je beide moeders je ooit vergelen zal."

Mevrouw Bhaer overhandigde hem het boekje dat Dan eenvoudig met een: „Dank u wel" in den zak stak. Zonder om te zien liep hij daarop naar de rivier om zich daar van zijn ongewoon teedere en vertrouwelijke gemoedsstemming te herstellen.

Den volgenden dag vertrokken de reizigers. Allen waren welgemoed, en een wolk van zakdoeken wuifde hun vaarwel toe, terwijl zij in de oude omnibus wegreden, met de hoeden zwaaiend en iedereen kushanden toewerpend, vooral moeder Bhaer, die, zoodra het geratel der wielen was weggestorven, haar oogen afdroogde en op voorspellenden toon zei:

„Ik heb zoo'n voorgevoel, dat er iets met hen gebeuren zal, en dat zij nooit, of totaal veranderd, tol ons terug zullen keeren. Het zij zoo — ik kan alleen zeggen: God behoede mijn jongens!"

HOOFDSTUK VII.

DE LEEUW EN HET LAM.

Toen de jongens vertrokken waren, werd het veel stiller op Plumfield, en de familie verspreidde zich op haar uitstapjes naar verschillende plaatsen, want Augustus was in 't land gekomen, en allen gevoelden behoefte aan verademing. De professor nam tante Jo met zich mee naar de bergen. De Laurences waren naar een badplaats aan het strand getrokken, waar Meta's huisgezin en de jongens van professor Bhaer hen om beurten opzochten, omdat er altijd iemand thuis moest blijven om den boel in orde te houden.

Sluiten