Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

fladderen van haar bruine lokken in den wind, terwijl hij haar geliefkoosd zeemansliedje aanhief.

.Geeft mü een frissche, stijfe bries,

En zwellend zeildoek maat!

Een schip dat trotscb de golven klieft.

En eiken storm doorstaat.

Wie als de zeeman, leeft zóó vrij

Zóó vroolük, zóó royaal?

Zijn huis de wijde zee — zijn graf:

Een rustbed van koraal."

Juist toen de laatste tonen van zijn heldere, krachtige stem wegstierven, riep mevrouw Hardy plotseling uit:

„Wat is dat?"

Emil's scherpziend oog ontdekte onmiddellijk het rookwolkje, opstijgend uit het luik, waar geen rook mocht zijn, en voor een oogenblik was 't of zijn hart op hield te kloppen, toen de vreeselijke gedachte „brand" hem door den geest vloog. Doch hij herstelde zich dadelijk en liep kalm weg, terwijl hij rustig zei:

„Verboden te rooken daar; ik zal eens poolshoogte gaan nemen en er een stokje voor steken." Maar zoodra hij uit het gezicht was, veranderde zijn gezicht, en hij sprong door het luik naar beneden met een vreemden glimlach om de lippen en de gedachte— „Als wij in brand staan, zou het mij niets verwonderen, of „een bed van koraal" wordt mijn graf.

Een paar minuten bleef hij beneden, en toen hij, half gestikt door den rook, weer boven kwam, zag hij zoo bleek als een door lucht en zon gebruinde zeerob ooit wezen kan. Voor 't overige scheen hij evenwel bedaard, toen hij den kapitein ging meedeelen:

„Brand in het ruim, kapitein."

„Maak de vrouwen niet ongerust," luidde kapitein Hardy's eerste bevel. Daarna gingen beiden haastig onderzoeken hoe sterk de verraderlijke vijand was en wat er moest gebeuren om het kwaad te beteugelen.

De „Brenda" had een zeer licht ontvlambare lading aan boord, en niettegenstaande de stroomen water die in het ruim werden gepompt, bleek al spoedig, dat het schip ten ondergang was gedoemd. Overal begon de rook door de naden te dringen, en de opstekende storm wakkerde spoedig

Sluiten