Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Hij zal nooit weer door mijn toedoen behoeven te lijden; al ben ik een dwaas — een lafaard wil ik niet zijn. Ik zal professor Baumgarten alles vertellen en hem om raad vragen. Liever stond ik tegenover een geladen kanon, dan tegenover hem ; maar het moet gebeuren. Daarna zal ik alles verkoopen, mijn schulden betalen en terugkeeren naar waar ik behoor; beter een eerlijk bedelaar dan een kraai onder de pauwenen Nat lachte in al zijn verdriet, toen hij al de kleine geriefelijkheden van zijn kamer overzag en zich zijn afkomst herinnerde.

Hij hield zijn woord als een man, en het deed hem goed te bemerken, dat zijn wedervaren een oude geschiedenis was voor den professor, die zijn plan toejuichte, begrijpend dat de kastijding hem goed zou doen. Gulhartig bood hij aan, hem te helpen en beloofde hij zijn dwaasheid voor zijn vriend Bhaer geheim te houden, totdat Nat zich zou hebben vrij gemaakt.

De eerste week van het nieuwejaar werd door onzen verkwister berouwvol doorgebracht met het ten uitvoer brengen van zijn plan, en op zijn verjaardag zat hij weer alleen in de kleine kamer op de bovenverdieping van Frau Tetzel, met niets van zijn vorige pracht om zich heen, dan eenige onverkoopbare souvenirs van de verliefde jonge dames, die zijn gemis diep betreurden. Zijn vrienden hadden hem uitgelachen, beklaagd en spoedig aan zijn lot overgelaten, uitgezonderd een paar, die edelmoedig hun beursen te zijner beschikking stelden en hem hun hulp beloofden. Het werd hem eenzaam en zwaar te moede, toen hij, in zijn knetterend vuurtje starend, zich den laatsten Nieuwjaarsdag op Plumfield herinnerde, waarop hij om dezen tijd met Daisy aan het dansen was.

Een kloppen op de deur stoorde hem in zijn overpeinzingen, en met een onverschillig „Herein" wachtte hij af wie om zijnentwille zoo hoog geklommen was. Hel bleek de goede Frau Tetzel te wezen, die vol trots een blaadje droeg, waarop een llesch wijn stond en een groote taart, met veel kleurige suikerboonen en brandende kaarsjes versierd. Achter haar verscheen Fraulein Vogelstein, een bloeienden rozenstruik dragende, waarboven haar grijze krullen uitkwamen

Sluiten