Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zaam bericht meegebracht en geruststellender tijdingen konden elk oogenblik worden verwacht. Maar de zorgzame Frans had verzwegen, dat de matrozen de boot van hun kapitein door het neerstorten van den mast, als zeker vergaan beschouwden, hoewel de rook haar aan hun oog •onttrokken en de storm allen spoedig uiteengedreven had. Doch het droevig gerucht bereikte Plumfield, en diep was ■de rouw over den luchthartigen Commandant, die nooit meer zingende huiswaarts zou keeren.

Tante Jo weigerde het te gelooven, hardnekkig volhoudend dat Emil eiken storm kon doorstaan, en toch vroolijk en wel weer boven water zou komen. Het was goed, dat zij zich aan deze hoopvolle bewering vasthield, want de arme professor Bhaer was diep bedroefd over het verlies van zijn jongen. Hij had de kinderen zijner zuster zoolang als de zijne beschouwd, dat hij werkelijk ;geen verschil in zijn liefde voor hen en zijn eigen vleesch en bloed maakte. Nu deed zich voor mevrouw Juno een goede gelegenheid voor om woord te houden, en zij kwam haar gelofte na, door opgeruimd over Emil te spreken, zelfs toen haar hoop verflauwde en de moed haar begaf. Als iets de Bhaers had kunnen troosten voor het verlies van hun eenen jongen, dan moest het wel de deelneming zijn, hun door al de anderen betoond. Frans hield den kabel warm met zijn afwisselende telegrammen, Nat zond troostrijke brieven uit Leipzig, en Tom liep de trappen van het kantoor der reederij plat om nieuws. Zelfs Jack, die hel zoo druk had, schreef met buitengewone warmte; Dolly en Georg kwamen hen dikwijls opzoeken, de prachtigste bloemen en lekkerste bon-bons meebrengend om mevrouw Bhaer op te monteren en Josie's verdriet te verzachten, terwijl de goedhartige Ned den geheelen afstand van Chicago aflegde om hun de hand te drukken, en met een traan in het oog te zeggen: „Ik was zoo verlangend alles omtrent den goeien, ouwen jongen te vernemen.dat ik niet rustig thuis kon blijven."

„Dat doet iemand nog eens goed, en bewijst, dat ik mijn jongens, al hebben zij niets anders van mij geleerd, toch ten minste de broederlijke liefde heb ingeprent, die hun het de wereld in, 7e dr. 15

Sluiten