Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voegde hij er bij, min of meer door het woord „kleermaker" geprikkeld; want hij stond bij een der leden van dat gilde tamelijk dik in het krijt.

„L)e onzen ook; maar mooie kleeren alleen maken hier den heer nog niet. Wij vorderen heel wat meer," stoof Josie op, dadelijk voor de eer van haar College te velde trekkend. „Die jongens in „oude schoenen en bestoven kleeren" zullen nog van zicli doen spreken, als jij en je fijne heertjes jullie dasjes strikt en je haar parfumeert in vergetelheid. Ik houd van oude laarzen en draag ze dus, maar ik heb een hekel aan fatten; jij ook niet Betsy?"

„Niet wanneer zij goed voor mij zijn en tot ons oude clubje behooren," antwoordde Betsy, Dolly toeknikkend om hem te bedanken, toen hij een al te nieuwsgierige rups van haar goudleêren schoentje afnam.

„En ik houd van meisjes die altijd beleefd zijn en niet iemand afsnauwen, omdat hij een eigen meening heeft; jij ook niet, George ?" vroeg Dolly, met zijn liefste lachje voor Betsy, en een afkeurenden blik op Josie.

Een rustig snurken was Stutïy's eenig antwoord; en een algemeen gelach herstelde voor een oogenblik den vrede. Maar Josie was er steeds op uit de heeren der schepping, die zich te veel airs gaven, te plagen, en wachtte haar tijd af voor een nieuwen aanval, wanneer zij eerst nog wat zou hebben gespeeld. Zij kreeg haar zin, want Dolly was een galant ridder, en gaf aan haar roepstem gehoor, Betsy verlatend, die George zat uit te teekenen, zooals hij daar op zijn rug lag met zijn dikke beenen over elkaar, en zijn bolle roode wangen gedeeltelijk door zijn hoed bedekt. Dezen keer delfde Josie het onderspit, en kwam min of meer ontstemd terug, waarom zij den rustigen slaper wakker maakte door hem met een strootje in den neus te kittelen, tot hij niezend overeind kwam, en woedend rondkeek naar die „duivelsche vlieg."

„Kom, word maar wakker, en geef ons eens een verhandeling over den goeden toon! Jullie piekfijne heeren moet, dunkt mij, onzen geest en onze manieren nog heel wat kunnen veredelen; want wij zijn immers maar „arme boerinnen, met slordige kleeren en lompe hoofddeksels," begon

Sluiten