Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eerste verzet, over de eindelooze vlakte ratelde. Oom Laurie had erg veel schik in zijn bewering, dat de woorden „wanneer Ted uit den band springt" hem op het denkbeeld hadden gebracht; en daardoor dus de verantwoordelijkheid op zijn eigen schouders rustte. Van af het oogenblik waarop hij den deserteur slapend in een waggon vond liggen, met geen andere merkbare bagage dan een tlescli wijn voor Dan en een kleerborstel voor zich zelf, nam hij hem welwillend op; en zooals tante Jo vermoed had: de tweq boosdoeners doorleefden een pretligen tijd. Spoedig kwamen er berouwvolle brieven, en de verbolgen ouders vergaten te knorren, in hun angst over Dan, die zwaar ziek was en verscheiden dagen zijn vrienden niet herkende. Daarna begon hij beter te worden, en iedereen vergaf den deugniet, toen hij trotsch schreef, dat de eerste woorden, die Dan sprak, toen hij zijn bewustzijn herkreeg geweest waren: „Hallo! Ted !" met een genoeglijken lach bij net zien van een bekend gezicht, dat zich over hem heenboog.

»'k Ben toch blij dat hij gegaan is en zal maar niet meer knorren. Nu, wat zullen wij nu voor Dan in den koffer doen!'' En tante Jo gaf haar ongeduld om den zieke bij zich te hebben, lucht, door hem zooveel versterkende middelen en lekkernijen te zenden, dat een heel hospitaal er haast genoeg aan zou hebben gehad.

Kort daarop konden er bemoedigende berichten naar huis gezonden worden, en eindelijk werd Dan in staat geacht te reizen; maar hij scheen volstrekt geen haast te hebben al verveelde het hem ook nooit zijn verzorgers van huis te hooren spreken.

„Dan is wonderlijk veranderd," scheef Laurie aan Jo, „niet door zijn ziekte alleen, maar door iels dat er klaarblijkelijk aan is voorafgegaan. Ik weet niet wat, en laat het aan jou over liet uit te vorschen; maar te oordeelen naar hetgeen hij in zijn ijlen heeft geopenbaard, vrees ik dat hem verleden jaar iets verschrikkelijks is overkomen. Hij schijnt wel tien jaren ouder geworden, maar hij is veel vooruitgegaan, rustiger en erg dankbaar jegens ons. Het JS aandoenlijk den honger in zijn oogen te zien, wanneer J Ted aankijkt, alsof hij zich niet genoeg aan hem ver-

DE WERELD IX, 7e dr. 19

Sluiten