Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zonde bezoedelden Dan. Geen gedachte aan zoo'n mogelijkheid verontrustte het jonge meisje, zooals haar onbevangenheid duidelijk deed zien. Maar hoe lang zou het duren, eerde welsprekende oogen de waarheid aan den dag zouden brengen ? En dan welk een teleurstelling voor Dan, welk een verslagenheid voor Betsy, die even onschuldig, koel en onaantastbaar was als haar eigen marmeren beelden, en elke gedachte aan liefde nog met maagdelijke zedigheid schuwde.

„Wat wordt alles voor mijn armen jongen toch vreeselijk moeilijk gemaakt! Hoe kan ik zijn droom verstoren en hem den geest van het goede ontnemen, dien hij nu begint lief te krijgen en te begeeren? Als mijn eigen jongens in veiligheid zijn, zal ik nooit weer aan zoo iets beginnen, want zulke dingen breken mij het hart, en meer zou ik niet kunnen verdragen," dacht tante Jo, terwijl zij de voering in de mouw van Ted's jas er het onderst boven inzette, zoo verward en bedroefd maakte haar deze nieuwe ramp.

Het verhaal was spoedig uit, en toen Betsy haar krullen naar achteren wierp, vroeg Dan, zoo levendig als een schooljongen!

„Is het je niet bevallen?"

„Ja, het is heel aardig, en ik begrijp de bedoeling, die er in ligt; maar Undine was toch altijd mijn liefste heldin."

„Natuurlijk; net iets voor jou, — leliën en paarlen, zielen en kristalhelder water. Sintram was vroeger mijn held; maar ik begon dit mooi te vinden, toen ik — hm — eens — nogal veel tegenspoed had, en het heeft mij goed gedaan. Het was zoo opbeurend en er lag zoo'n verheven bedoeling in, vond ik."

Betsy opende haar blauwe oogen, verwonderd over dezen smaak van Dan voor iets „verhevens," doch zij knikte hem slechts even toe en zei: „Een paar van de gedichtjes zijn heel lief en konden mooi op muziek worden gezet."

Dan lachte. Soms zong ik het laatste tegen zonsondergang op een eigengemaakte wijs — zoo:

,,rt' Engienzang hooreml in Hemelsche koren.

'I Ook nu onttrokken aan de aarde en vrij,

Blikkend ten Hoogen, in 't Levenslicht starend.

Asiauga's Ridder — hoe zalig zijt gij!"

„Dat was ik dan," voegde hij er zacht bij, naar den dansenden zonnestraal op den wand turend.

Sluiten