Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

307

had met dat andere gelukkige gedeelte van mijn leven, verleden zomer — hier."

Nadat hij de laatste woorden weifelend had geuit, hield Dan een oogenblik op, daarna haalde hij diep adem en vervolgde, als viel het hem hard dit dwaze romannetje te onthullen, dat hij geweven had uit een meisje, een portret en een kinderverhaal, daar in die duistere plaats, even verschrikkelijk voor hem als Dante's Hel, eer hij zijn Beatrice vond:

„Ik kon niet slapen en moest dus wel over allerlei denken; daarom verbeeldde ik mij maar dat ik Folke was en Aslauga's haar bij zonsondergang op den muur zag glinsteren en bij 't licht van den bewaarder en het gloren van den aanbrekenden dag. Mijn cel was hoog. Een klein stukje lucht kon ik nog zien; soms stond er een ster in, en dat was bijna evengoed als een menschelijk gezicht. Ik hechtte heel veel aan dat stukje blauw, en wanneer er een witte wolk voorbij trok, vond ik dat het mooiste wat ik ooit gezien had. U zult me wel een zot vinden, maar die gedachten en voorstellingen hielpen er mij doorheen, en daarom zijn ze mij allen evenveel waard en wil ik de herinnering eraan niet opgeven. Het lieve, glinsterende hoofd, het leliewitte gewaad, de heldere oogen als sterren, en die vriendelijke, zachte manieren, het was alles pure verbeelding, maar een mensch moet iets hebben om lief te hebben, en het is nog beter dat ik een ideaal aanbid als zij, dan een van die arme gewone meisjes liefheb, die na al het gebeurde nog van mij zouden kunnen bouden."

De berustende wanhoop in Dan's stem sneed tante Jo door de ziel; maar er was geen hoop, en zij gaf die ook niet. Toch gevoelde zij dat hij gelijk had en dat deze ongelukkige genegenheid, hem meer dan eenige andere, zou kunnen louteren en opheffen. Weinig vrouwen zouden er nu op gesteld zijn Dan te huwen, uitgenomen zulke, die hem tot last, niet tot steun zouden zijn in den strijd, waaruit zijn leven altijd zou bestaan, en het was beter dat hij eenzaam ten grave daalde, dan dat hij werd, wat zij vermoedde, dal zijn vader was geweest: een beginselloos, knap en gevaarlijk man, met meer den één gebroken hart op zijn geweten.

DE WERELD IN, 7e dr. 120*

Sluiten