Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Boven reusachtige varenkruiden, cactussen, nopals, zilverdennen en met vruchten beladen haagappelboomen, verheffen zich de mahonie-boom met zijn langwerpig blad, demoriche of pijnboom, de abanijo wiens breede bladeren zich waaiervormig uitspreiden, de pirijao die zijne gouden vruchten in groote trossen laat nederhangen, de koningspalm met zijn geheel bladerloozen tronk, wiens dichte majestueuze kruin, als op de lucht gedragen, wuift bij het minste koeltje, het Indisch riet, de citroenboom, de goyave, de catalpa, de banaan, de chirimoya met hare dronkenmakende vrucht, de kurk-eik, de Peruboom, de waspalm met zijn geurig druipend gomhars.

Dan weder ontmoet men onafzienbare velden dahlia's, met bloemen witter dan de sneeuw van den Chimborasso of rooder dan bloed; onmetelijke liaanranken slingeren zich als kransen en guirlandes om den stam en de takken der boomen, tusschen de weligste wingerden, zoo schitterend groen, dat het oog er op schemert; nu in dit ordelooze warbosch, deze chaotische mengeling van boomen, planten en bloemen, vliegt, huppelt of kruipt, in alle richtingen, eene tallooze menigte dieren van allerlei soort : vogels, viervoetige dieren, kruipdieren, amphibiën, zingend, schreeuwend, huilend, snaterend en fluitend, op al de tonen en stemmen van het menschelijk register, nu eens spottend en dreigend, en dan weder zacht en treurig.

Het hert en de das huppelen schichtig door de struiken, met opgestoken hoofd, gespitste ooren en waakzaam oog; de langhoorn of reebok springt van rots tot rots en blijft plotseling staan op den rand eener steilte; de zwaarlijvige, domme bisons kijken u aan met somberen blik; het wiide paard zwerft, in tallooze manades, die den grond doen daveren, doelloos over de vlakte: de alligator baadt zich in het slijk der rivier, en gaat slapen in de zon; de afzichtelijke luiaard kruipt langzaam en achteloos naar zijn boom; de puma of leeuw zonder manen, de panter en jaguar loeren gluipend naar hun prooi; ginds is een bruine beer, die vraatzuchtig jaagt op honig; elders een grauwe beer, de meest geduchte bewoner der wildernis; de cotejo met zijn vergiftige beet; de kameleon, wiens segrijnen huid al de kleuren terugkaatst; de groene hagedis, de basiliscus, die stil en omzichtig tusschen de bladeren wemelt, of de monsterachtige boa, de koraalslang, zoo klein en toch zoo gevreesd, de cascabel, de macaurel en de groote getijgerde slang.

In de bovenste takken der struiken en onder het dichte gebladerte verscholen, zingt en kweelt het pluimgedierte; de tanagre, de curasso, de snaterende lor os, de har as, de kolibrie, de toucan met zijn vervaarlijken bek, de duif en de tragon; elegante rozeroode flamingo's en zwanen wiegelen en dartelen op de rivier, terwijl van struik tot struik en van liaanrank tot liaan rank, de lichtvoetige grijze eekhoorn springt met ongelooflijke vlugheid en

Sluiten