Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zwier. Hoog in de bovenlucht, groote kringen beschrijvend over de prairie, zweeft de arend der Sierra-Madre, met zijn breeden vleugelslag, of de kaalhoofdige gier, omlaag hun prooi kiezende, daar zij met de snelheid van den bliksem op nederstrijken.

Op eens hoort men den verpletterenden hoefslag van een paardengalop, dat het gouden zand doet opstuiven en de blinkende keien in de zon doet glinsteren, en, als op een toovertooneel verschijnt er een Indiaan met roode huid glimmend als nieuw koper, krachtig gebouwd, met gebaren vol majesteit en gratie, en het oog van een heerscher; een Indiaan, hetzij Pawnee, Navajoé of Comancb, Apache of Sioux, die de lasso of de lakki over zijn hoofd doet zwaaien; voor zich uit jaagt hij een troep verschrikte buffels of wilde paarden, of wel een panter, een losch of een jaguar, die voor hem vluchten en wegspringen met dof gehuil van angst en woede.

Deze zoon der woestijn, zoo groot, zoo edel, zoo onversaagd, terwijl hij de prairie met ongelooflijke snelheid doorkruist en er iederen schuilhoek van kent, is waarlijk wel de koning in dit wonderbare land, waar hij dag en nacht in rondzwerft en met welks tallooze gevaren hij te zeer vertrouwd is om er een van te duchten; hij weet dat zijne heerschappij met iederen dag inkrimpt, maar hij kampt met heldenmoed tegen de Europeesche beschaving, die voet voor voet voortschrijdt, hem van alle zijden omgeeft en tot in zijne laatste verschansingen terugdringt.

Wee dan ook den jager of strikkenzetter die het waagt om deze eenzame oorden te doorkruisen! Zijn gebeente zal weldra in de prairie verbleeken en zijn hoofdschedel het schild van een Indiaansch opperhoofd of de manen van diens paard versieren.

Ziedaar het verheven, treffend en vreeselijk schouwspel, dat nog heden den reiziger wacht, die zich waagt in de wildernis van het Verre Westen.

Den dag waarop wij ons verhaal hervatten, op het oogenblik toen de zon in het toppunt stond, werd de doodsche in de woestijn heerschende stilte plotseling gestoord door een licht gedruiscb, dat zich hooren deed in de dichte struiken aan den oever der Rio-Gila, in een der minst bezochte streken der wildernis.

De takken werden omzichtig uiteen geschoven, en te midden der bladeren en ianen vertoonde zich een menschenhoofd, gustend van zweet en met een gelaat vol schrik en wanhoop.

Die man, na eene poos onrustig rondgezien en zich verzekerd te hebben dat niemand hem bespiedde, drong langzaam en aarzelend uit het gras en de struiken, die hem verborgen hadden, te voorschijn, deed eenige stappen in de richting der rivier, en liet zich toen met een diepen zucht op den grond nederglijden.

Bijna gelijktijdig sprong er een groote molosse, de telg van een wolf en een Nieuwfoundlandschen hond, uit het kreupelbosch, en legde zich neder aan zijne voeten.

Sluiten