Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De man die zoo onverwachts aan de oevers der Rio-Gila verscheen, was de Roode-Ceder ').

Zijn toestand scheen alles behalve veilig, w»nt hij was alleen in de woestijn, zonder wapens en zonder levensmiddelen!

Wij zeggen zonder wapenen, daar het lange jachtmes, dat aan zijn dassenleêren gordel hing, hem bijna geen dienst kon doen.

In den eindeloozen planten-oceaan van het Verre Westen is de ongewapende man een man des doods.

De strijd tegen de tallooze vijanden die zijne gangen bespieden en slechts op de gelegenheid loeren om hem aan te vallen, is voor hem onmogelijk.

De Roode-Ceder miste twee zaken die voor den jager onschatbaar zijn: een geweer en een paard.

Bovendien was hij alleen!

De mensch, zoolang hij zijns gelijke ziet, al ware het zelfs zijn vijand, acht zich niet verlaten; op den bodem van zijn hart blijft er voor hem nóg altoos eenige hoop over, die hij zich niet weet te verklaren, maar die hem ondersteunt en bemoedigt.

Maar zoodra iedere menschengestalte verdwenen is, en de enkele mensch, als een onmerkbare zandkorrel in de woestijn, tegenover God staat, dan beeft hij, want hij gevoelt zijne zwakheid en geringheid, hij gevoelt hoe nietig hij is tegenover die reusachtige gewrochten der schepping, en hoe dwaas de strijd is dien hij zou zoeken vol te houden, om ook al was het maar een slip van het zwarte schaduwkleed weg te schuiven, dat van lieverlede op hem nederdaalt en hem weldra aan alle zijden dreigt te bedekken.

De Roode-Ceder was een beproefd woudlooper. Menigmaal op zijne strooptochten in de prairie, had hij zich in bijna even hopelooze toestanden bevonden als de tegenwoordige, en steeds had hij er zich door stoutmoedigheid, geduld, en vooral door een vasten wil, uit weten te redden.

Maar nooit toch had hij zich zoo geheel van alles beroofd en ontbloot gezien als op dit oogenblik.

Hij moest echter besluiten en partij kiezen.

Met een half gesmoorden vloek stond hij op, lloot zijn hond, het eenige wezen dat hem in zijn ongeluk getrouw was gebleven, en trad langzaam voort, zonder te weten waarheen en zonder zelfs te berekenen waar hij was.

Wat had hij ook te vragen naar weg of richting? alle wegen waren voor hem immers even goed en moesten, zonder twijfel, na korter of langer tijd, uitloopen op hetzelfde punt.... de dood!

Zoo wandelde hij verscheidene uren, met gebogen hoofd, en hij zag rondom hem de asshata's en de langhoorns springen, die

i) Zie de Gids der Prairiën.

Sluiten