Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De ruiters stegen af ea namen hunne paarden het gebit uit den mond, om de arme dieren in de gelegenheid te stellen een weinig voedsel te nemen en zich te vergasten op het fijnere gras en de jonge bladeren der struiken, die hier en daar in de schaduw van hét hooge geboomte waren opgeschoten.

De plaats was inderdaad uitnemend gekozen; het was een tamelijk groot boschkamp of open vlakte; in het midden liep eene kleine rivier, of liever een van die tallooze beken die de prairie in alle richtingen doorkruisen, om na een loop van weinige mijlen de grootere stroomen te voeden in welke zij zich verliezen.

Een dicht gewelf van bladrijk geboomte bood den reizigers een onwaardeerbare schuilplaats tegen de brandende zonnestralen, die thans loodrecht nedervielen.

Ofschoon het omtrent twaalf uren was, noodigde de frissche lucht, door de uitwasemingen der beek in het boschkamp afgekoeld, tot het genot van een middagslaapje, in Mexico bekend onder den naam van siësta. Maar de reizigers hadden wel ernstiger zaken om handen, dan zich aan het genot van den slaap over te geven.

Zoodra de noodige voorzorgen waren genomen om zich tegen een mogelijken overval te beveiligen, zette Valentin zich onder een boom neder, en wenkte hij zijne kameraden om nevens hem plaats te nemen.

De drie blanken voldeden onmiddellijk aan zijn verzoek, maar Curumilla begaf zich, volgens zijne gewoonte, met de buks in de hand op eenige passen buiten het kamp om voor het heil van allen te waken.

Na eenige minuten van rijp overleg, nam Valentin het woord op.

„Caballero's," zeide hij, „het oogenblik is daar om onbewimpeld ons gevoelen te zeggen: wij bevinden ons thans op vijandelijk grondgebied; om ons heen, binnen een omtrek van meer dan twee duizend mijlen, ligt de wildernis. Wij zullen niet alleen te strijden hebben tegen de menschen, hetzij blanken of Roodhuiden, die wij ontmoeten, maar tegen honger en dorst en wilde dieren van allerlei soort. Geeft intusschen aan mijne woorden geen andere beteekenis dan die ik zelf er aan hecht; gij kent mij van ouds, don Miguel, en gij weet welk eene vriendschap ik u toedraag."

„Dat weet ik, en ik zeg er u dank voor," antwoordde de haciendero op nadrukkelijken toon.

„Om kort te gaan," vervolgde Valentin, „geen gevaar of hindernis van welken aard ook, zal mij afschrikken van de taak dieikmijzelven heb toevertrouwd."

„Daar ben ik van overtuigd, vriend," zei don Miguel.

„Goed," hernam Valentin, „maar ik, ik ben een oude woudlooper; het leven der woestijn met al zijne ontberingen is mij volkomen bekend: het spoor dat wij hier volgen zullen, is voor mij en voor den braven Indiaan die met ons is, niets meer dan spel.'

„Wat bedoelt gij daarmeê?" vroeg de haciendero, hem met drift in de rede vallende.

„Dit, caballero," antwoordde de jager vrijmoedig. „Gij, die aan

Sluiten