Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geslagen; als ik mij niet vergis, is Stanapat het opperhoofd van den stam der Bisons."

Curumilla boog toestemmend het hoofd en na het door hem opgevangen paard gekluisterd en bij de paarden der jagers te hebben gevoegd, die intusschen weder waren afgestegen, ginghii bedaard aan den oever der beek zitten.

Intusschen was de onbekende niet minder dan de Apachen verrast geworden door de onverwachte hulp, die hem zoo gelukkig te stade kwam toen hij zich reeds verloren achtte.

Op het gerucht der herhaalde losbrandingen had hij zijn paard tot staan gebracht, en was na een oogenblik aarzelens naar de kampplaats teruggereden.

Valentin zag hem naderen en hield al zijne bewegingen in het oog.

Toen de onbekende het kreupelbosch bereikte, steeg hij af, rukte met krachtige hand de struiken uiteen die hem den doortocht versperden, en trad stoutmoedig het boschkamp binnen, waar de Mexicanen zich gelegerd hadden.

Deze vreemde man, dien de lezer reeds kent'), was niemand anders dan de geheimzinnige persoon, die door den Roode-Ceder don Melchior genoemd werd en daar hij zoo bevreesd voor scheen te zijn.

Zoodra hij zich in de tegenwoordigheid der Mexicanen bevond, nam don Melchior zijn hoed af en maakte voor hen eene beleefde buiging.

Deze beantwoordden zijn groet met dezelfde beleefdheid.

„Viva Dios! riep don Melchior, „ik weet niet wie gij zijt, caballeros, maar ik moet u hartelijk dank zeggen voorde mij zoo krachtdadig bewezen hulp; ik ben u het leven verschuldigd."

„In het Verre Westen," antwoordde Valentin grootmoedig, „zijn de lieden van dezelfde kleur door een onzichtbaren keten verbonden en maken zij, om zoo te zeggen, eene enkele familie uit."

„Ja," riep de onbekende op nakenkenden toon, „zoo behoorde het tenminste te zijn. Ongelukkig echter," vervolgde hij met een ontkennend hoofdschudden, „worden de schoone beginsels die gij voorstaat, caballero, niet algemeen in praktijk gebracht; maar het is thans geen geschikt oogenblik om mij over dat verzuim te beklagen, daar ik het aan uwe edelmoedige tusschenkomst moet dank weten dat ik nog in het land der levenden ben."

De aanwezigen maakten eene buiging.

De onbekende vervolgde:

„Ik verlang zeer te weten wie gij zijt, caballeros, opdat ik in mijn hart de namen mag bewaren die mij altijd dierbaar zullen zijn."

Valentin zag den spreker zoo helder en doordringend aan alsof hij in diens ziel de diepste gedachten wilde lezen.

i) Zie Gids der Prairiën.

Sluiten