Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik ben de man met duizend namen: te Mexico heet ik don Luis Arroyal, deelgenoot in het bankiershuis Simpson, Pedro Munez, Carvalho en Comp.; in de provinciën van Noord-Mexico, waar ik mij door dwaze verteringen sinds lang berucht heb gemaakt, heet ik de Gambusino; aan de kusten der Vereenigde Staten en in de Mexicaansche Golf, waar ik voor tijdverdrijf een kotter bemand en op de slavenhaalders der Unie jacht gemaakt heb, heet ik the Unknown (de onbekende); bij de Noord-Amerika the Blood's Son (de Zoon des Bloeds); maar mijn ware naam, die mij door de lieden gegeven wordt welke zoo veel van mij kennen als het mij behaagt hun te laten weten, is la Venganza (de wraak). Ziit gii nu voldaan, caballeros?"

Niemand antwoordde.

Elk der jagers bad op verscheidene wijzen over dezen buitengewonen man hooren spreken; de geruchten die op zijn naam zoo in Mexico als in de Vereenigde Staten rondliepen waren allervreemdst: naast de schoonste heldendaden en trekken van goedheid die allerlofwaardigst schenen, verhaalde men van dezen man daden van ongehoorde wreedheid en voorbeeldelooze woestheid. Hij boezemde zoowel blanken als Roodhuiden, die elk op hunne beurt vreesden met hem in aanraking te zullen komen, een geheimzinnigen schrik in, zonder dat evenwel iemand hunner bij eigen ondervinding bevestigen kon wat er van hem verhaald werd.

Ook Valentin en zijne tochtgenooten hadden meermalen van den Zoon des Bloeds hooren spreken, maar thans stonden zij voor de eerste maal tegenover hem, en moesten ondanks zich zeiven zijn grootmoedig uitzicht en edele houding bewonderen.

Valentin was de eerste die zijne koelbloedigheid terugkreeg.

„Sedert lang reeds," zeide hij, „is uw naam mij ter ooren gekomen; ik verlangde zeer u te leeren kennen, die gelegenheid biedt zich eindelijk aan en ik acht er mij te gelukkiger om, daar ik thans over u zal kunnen oordeelen, hetgeen mij tot dusver onmogelijk was door al de overdreven geruchten die er nopens u in omloop zijn. Gij zegt dat gij ons in de onderneming die wij beproeven zullen van dienst kunt zijn, en wij zeggen er u dank voor; wij nemen uw aanbod even rondborstig aan als gij het ons gedaan hebt. In eene onderneming als de onze is de hulp van een dapper en kloek man niet te versmaden, des te minder daar de vijand dien wij in zijn schuilhoek willen achterhalen zoo geducht is."

„Meer zelfs dan gij veronderstelt," viel de onbekende hem op somberen toon in de rede. „Reeds twintig jaar lang heb ik den Roode-Ceder bestreden en nog is het mij niet gelukt hem te vernietigen. O! hij is een geducht tegenstander. Ik weet het, ik die zijn bitterste vijand ben en die tot hiertoe te vergeefs alle middelen beproefde, om mij aan hem op eene schitterende wijs te wreken."

Sluiten