Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij het uiten dezer woorden was het gezicht van den Zoon des Bloeds doodsbleek geworden; zijne trekken waren stuipachtig samengetrokken; hij scheen aan de hevigste ontroering ten prooi.

Valentin beschouwde hem een poos met eene mengeling van verbazing en medelijden. De jager, die zelf zoo veel geleden had, sympathiseerde, als alle gekrenkte gemoederen, met het lijden van ieder die, even als hij, zijn leed met waardigheid wist te dragen.

„Wij zullen u helpen," antwoordde hij, hem broederlijk de hand toestekende; „in plaats van vijf, zijn wij nu met ons zessen om hem te bestrijden."

De blik van den onbekende helderde zonderling op; hij drukte met kracht de hand die men hem aanbood en antwoordde met eene diepe stem, op moeielijk te beschrijven toon:

„Wij zullen met ons vijftigen zijn; ik heb kameraden in de wildernis "

Valentin wierp zijnen vrienden een vroolijken blik toe bij dit bericht, dat hem zulk een krachtigen steun beloofde daar hij allerminst op gerekend had.

„Maar vijftig man zullen niet voldoende zijn," riep de generaal, „om dien duivel te vernietigen die zich met de roovers der woestijn zoowel als met de meest geduchte Indianen verbonden heeft."

„Daar zal het niet aan haperen," hernam Valentin, „wij zullen ons ook met Indiaansche stammen verbinden; maar ik voor mij zweer u, dat ik de woestijn niet verlaat voordat die ellendeling uit den weg geruimd is."

„De hemel hoore u!" murmelde de onbekende. „Als mijn paard niet zoo geheel bekaf was zou ik u verzocht hebben mij aanstonds te volgen, want wij hebben geen oogenblik te verliezen, zoo wij dat wilde beest willen overvallen; ongelukkig zullen wij nu verplicht zijn eenige uren te wachten?"

Curumilla had het gehoord en trad nader.

„Daar is een paard voor mijn broeder," zeide hij, met den vinger het dier aanwijzende, dat hij even te voren gevangen had,

De onbekende juichte van vreugd.

„In den zadel!" riep hij, „in den zadel!"

„Waar wilt gij ons brengen?" vroeg Valentin.

„Bij mijne kameraden," antwoordde hij, „in den schuilhoek dien ik voor hen uitkoos. Daar zullen wij ons beraden over de beste middelen om onzen gemeenschappelijken vijand te verslaan."

„Goed!" riep Valentin, „zeer goed geredeneerd. Zijn wij ver van de plaats die gij uw schuilhoek noemt?"

„Neen, twintig of vijfentwintig mijlen op zijn hoogst; wij kunnen er nog voor zonsondergang zijn."

„Op weg dan," riep Valentin.

De saamverbondenen sprongen in den zadel en verwijderden zich in galop in de richting der bergen.

Eenige minuten later was de plaats tot hare gewone kalmte

Sluiten