Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en stilte wedergekeerd en bleef er geen spoor van menschen over dan de verminkte lijken der gesneuvelde Apachen, boven welke de gieren reeds rondvlogen met heesch geschreeuw en steeds nauwere kringen beschreven, om er weldra plotseling op neder te strijken.

IV.

DE ROODE-CEDER IN DE KLEM.

De zes ruiters reden de een achter den ander en volgden een dier smalle, kronkelende, door de wilde dieren gebaande sporen, die de woestijn in alle richtingen doorkruisen.

De Zoon des Bloeds strekte daarbij den kleinen troep tot gids en onmiddellijk achter volgde Curumilla.

Met het bekende karakter dat zijn ras eigen is, trok de Indiaan stilzwijgend voort, als altijd, doch gedurig links en rechts uitkijkende, met dien scherpen blik waaraan niets ontsnappen kon en die de Roodhuiden tot zulke bijzondere menschen maakt.

Eensklaps liet Curumilla zich zijdelings van zijn paard vallen en bukte naar den grond met een uitroep van verrassing.

Den Araucaanschen Ulmen zoo onverwachts en ongeroepen te hooren spreken, was zoo geheel met zijne gewoonten in strijd, dat Valentin terstond zijn paard aanzette om te zien wat er aanleiding toe gaf.

„Wat is er toch met u gebeurd, hoofdman?" vroeg hii, zoodra hij bij hem was.

„Mijn broeder zie eens," was het korte antwoord van Curumilla.

Valentin steeg van zijn paard en bukte mede op den grond.

De Indiaan wees hem een afdruksel in het zand, half uitgewischt, maar duidelijk genoeg kenbaar als afkomstig van een beslagen paardenhoef.

De jager beschouwde het lang met de meeste aandacht, en ging toen eenige stappen verder in de richting die het spoor aanduidde; weldra vond hij meer dergelijke afdruksels. Zijne kameraden waren blijven staan en wachtten stilzwijgend tot hij zich nader verklaren zou.

„Wel?" vroeg don Miguel eindelijk.

„Er valt niet aan te twijfelen," antwoordde Valentin, als wilde hij een weddingschap met zich zeiven aangaan, „of de RoodeCeder is hier langs gekomen."

„Zoo!" riep de generaal, zoudt gij dat denken?"

„Ik ben er zeker van," zei Valentin; de Ulmen heeft mij een spoor aangewezen dat alleen afkomstig kan zijn van het paard van den Roode-Ceder."

Sluiten