Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Och kom!" merkte don Miguel aan, „een hoefijzer is toch een al te gering bewijs, die zijn allen aan elkander gelijk."

„Ja, als de eene boom aan den anderen," antwoordde Yalentin met drift. „Hoor maar even: Curumilla verzekerde mij, dat de Squatter, ik weet niet om welke reden, een paard berijdt dat aan de vier hoeven beslagen is, terwijl de overige lieden van zijne bende slechts de twee voorhoeven beslaan; bovendien is zijn paard een klepper, die onder het rijden de hoeven zijdelings uitslaat, van daar dat het spoor maar half afgedrukt is."

„Inderdaad," mompelde de Zoon des Bloeds, „deze aanmerking is zeer juist, een Indiaan alleen zou ze kunnen maken; maar de RoodeCeder is aan het hoofd eener talrijke bende, die hier niet heeft kunnen passeeren, anders zouden wij er zeker ook wel sporen van zien."

„Dat is waar," zei de generaal, „maar wat besluit gij daaruit ?"

„Een doodeenvoudige zaak," zei Valentin. „De Roode-Ceder heeft waarschijnlijk zijn troep eenige mijlen van hier laten kampeeren, en zal om de een of andere reden zich voor een poos van hen hebben verwijderd."

„Ik begrijp het nu al," hervatte de onbekende, „niet ver van hier hebben de roovers eene vaste verzamelplaats; daar is de Roode-Ceder denkelijk heengegaan om hunne hulp in te roepen, in geval van nood."

„Dat is het," riep Valentin; „de sporen zijn ook geheel versch, onze man kan niet veraf zijn."

, „Dan moeten wij hem nazetten," riep don Pablo met drift die tot hiertoe een diep stilzwijgen had bewaard.

„Wat denkt gij er van, cabelleros?" vroeg Valentin, zich tot de overigen wendende.

„Laten wij hem vervolgen," antwoordden allen uit eenen mond.

Zonder zich verder te beraden, gingen allen op weg onder geleide van Valentin en Curumilla om het ontdekte spoor te volgen.

Wat de jager vermoed had, was werkelijk het geval. De RoodeCeder, na de woestijn te zijn binnengetrokken en zijn troep in eene sterke stelling te hebben geposteerd, had zich van daar verwijderd, en aan zijne kameraden gezegd dat hij binnen drie of vier dagen, op zijn langst, terug zoude zijn, hen inmiddels onder het opzicht van den monnik achterlatende.

De Squatter kon voorzeker niet denken dat Valentin hem zoo spoedig volgen zou, en had dus maar weinig voorzorgen gebruikt om zijn spoor te verbergen.

Daar hij echter alleen was, zou zijn spoor, ofschoon aanvankelijk door Curumilla ontdekt, niet gemakkelijk te volgen zijn geweest en waarschijnlijk door dezen en den jager spoedig uit het oog zijn verloren, zoo de Squatter, toen hij zijn kamp verliet, niet toevallig door een zijner honden ware gevolgd; de sporen door dit dier afgedrukt, dienden hun tot nadere aanwijzing toen hetpaardenspoor hun geheel dreigde te ontsnappen.

Sluiten