Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wat hebt gij mij te zeggen?" vroeg de Squatter, woest met de kolf van zijn geweer op den grond stampend; „gij weet dat ik van geen sermoenen houd. Ik ben een vrije jager en doe wat ik goedvind."

„Hoor eens!" hervatte de Franschman op bevredigenden toon, terwijl hij ^ langzaam naderde, „neem het zoo hoog maar niet op alles zal zich wel schikken! 't Is immers zoo'n groote zaak niet? 't is maar om eene vrouw te doen, die gij hebt opgelicht; dat's alles."

De bandiet hoorde Yalentin aan zonder veel acht op diens woorden te geven.

Zijn scherp gehoor scheen sedert eenige oogenblikken verdachte geluiden gehoord te hebben; met onrustigen blik peilde hij de dikte van het bosch; zijne neusgaten zwollen op, in één woord, al de eigenschappen van het wilde dier waren bij hem in werkin^' Een heimelijk voorgevoel zeide hem dat hij een onbekend gevaar liep!

Van zijn kant hield de jager iedere beweging van zijn onrustigen zegsman nauwlettend in t oog; geen de minste verandering op diens gelaat was hem ontgaan en ofschoon «ogenschijnlijk kalm en bedaard, was hij des te meer op zijne hoede.

„Verrader!" brulde op eens de Squatter terwijl hij zijn buks aanlegde, „gij zult sterven."

„Zoowel als gij," antwoordde Valentin, zich snel achter een boom in veiligheid stellende; „maar nog zoo spoedig niet, met uw verlof."

„Geef u over, Roode-Ceder!" riep nu don Miguel op eens te voorschijn tredende, onmiddellijk door den onbekende en door Curumilla gevolgd; „geef u over!"

„Hoe zegt gij daar?... Ik mij overgeven? Waag het eens om er mij toe te noodzaken, dond.. s! ik zweer u, dat ik u eerst neerleg," brulde de Squatter op vreeselijken toon; „ik heb uw leven in mijne hand, berg u!"

„Loop heen," hernam Valentin, „en wees zoo kwaad niet; wij zijn met ons vieren, wat duivel! gij zult toch niet beweren dat gij ons alle vier kunt dooden!"

„Nog eens en voor 't laatst, wilt gij vertrekken?" vroeg de bandiet op kwaadaardigen toon.

„Kom! kom!" riep nu de Zoon des Bloeds met eene luidklinkende stem; „bied toch geen noodeloozen weerstand, Roode-Ceder, uw uur is geslagen."

Bij het hooren van deze stem werd het gelaat van den bandiet doodsbleek en voer hem eene siddering door de leden.

„Weest op uwe hoede, hij zal schieten!" riep Valentin uit.

Op dit oogenblik vielen er twee schoten zoo dicht na elkander, dat de knal als ineensmolt, en men slechts een enkelen slag hoorde.

Het geweer van den Squatter was in zijne handen verbrijzeld, en viel in stukken op den grond.

Valentin, die zich levend van den bandiet wilde meester maken,

Sluiten