Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gewoon, eigen is. Zonder rechts noch links uit te kijken, wandelde hij voort en scheen hij eene bepaalde richting te volgen, daar hij reeds vooraf toe besloten en die hij volmaakt goed kende. Te veel met zijn eigen gedachten ingenomen, bemerkte hij niet eens dat de zon reeds achter de donkere massa van het groote woud was weggezonken en dat de nacht met bijzondere snelheid nederdaalde.

Het gehuil der wilde beesten begon in de diepten der bosschen en holle wegen te weergalmen, en vermengde zich met het miauwen der carcajous en het blaffen der wolven in de prairie, die met groote troepen op korten afstand van den bandiet rondzwierven.

Maar hij zelf, blijkbaar ongevoelig voor al deze gewisse kenteekenen der naderende duisternis, dacht er niet aan om zich een nachtleger te bereiden en vervolgde zijn pad in de bergen, daar hij zich reeds sinds eenigen tijd in verdiept had.

Aan een soort van viersprong of kruisweg komende, als men dezen naam kan bezigen in een land waar geen eigenlijke wegen bestaan, hield hij een oogenblik stand en keek naar alle kanten uit om te zien op welke hoogte hij zich bevond. Na eenige minuten aarzelens stapte hij weder voort, sloeg een smal pad in, dat diep tusschen twee heuvels inliep, en klouterde moedig een vrij steile helling op.

Eindelijk, na een moeielijke opklimming van bijna drie kwartier-uurs, bereikte hij een punt waar het pad op eens werd afgebroken door eene diepe kloof, op welker bodem een dof gemurmel van onzichtbare wateren zich hooren liet.

Over een gapenden afgrond van vijfentwintig a dertig ellen wijdte, was een verbazend groote cederboom geworpen, die hier tot brug diende.

Aan het andere einde van deze brug bevond zich de ingang van eene natuurlijke grot, binnen welke men bij tusschenpoozen het roode schijnsel van een brandend vuur kon opmerken.

De Roode-Ceder bleef staan.

Een vergenoegde glimlach plooide zich op zijne dunne lippen zoodra hij den gloed der vlam op de wanden der grot zag schijnen.

„Zij zijn er," mompelde hij half overluid, als om op zijn eigen vraag te antwoorden.

Daarop bracht hij de vingers aan den mond en bootste tot driemaal toe met zonderlinge juistheid het zachte en welluidende geschreeuw van den mawkawis na. Een poosje daarna werd dit geschreeuw door een dergelijk uit de grot beantwoord.

De Roode-Ceder klapte nu driemaal in zijne handen.

De reusachtige schim van een man, door het licht van den haard teruggekaatst, vertoonde zich aan den ingang der grot en eene ruwe sterke stem riep in het zuiverste kastiliaansch:

„Wie daar?"

„Goed vriend!" antwoordde de bandiet.

Sluiten