Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Uw naam, carai!" hervatte de onbekende, „er zijn geen vrienden in de woestijn op dit uur van den nacht."

.,0, ho!" riep de Roode-Ceder met een plompen lach, „ik zie dat don Pedro Sandoval altijd even voorzichtig is."

„Man of duivel, als gij mij zoo goed kent," riep de Spanjaard een weinig minder barsch, „nog eens, hoe is uw naam? of por Dios! ik plant u een paar dassenloopers in de hersenpan. Laat me dus niet langer in perijkel om een vriend te vermoorden."

„Nu, sus, sus! matig u een beetje, waardige hidalgo; herkent gij" mij nog niet aan mijne stem, of is uw geheugen zoo zwak dat gij den Roode-Ceder reeds vergeten zijt?"

„De Roode-Ceder!" herhaalde de Spanjaard met verwondering; ..gij zijt dus nog niet opgehangen, mijn waarde vriend?" °.,Nog niet, zoover ik weet, compadre; zoo als ik u dadelijk

hoop te bewijzen." .

„Kom dan maar over, in 's duivels naam! en^laten wij hier met langer in de verte tegen elkander schreeuwen."

De onbekende verliet het bruggehoofd, waar hij zich waarschijnlijk geposteerd had om den andere desnoods den overtocht te betwisten, en trad ter zijde om zijn geweer weder in rust te brengen.

Zonder een tweede uitnoodiging af te wachten, snelde de RoodeCeder de brug op en was haar in eenige seconden over.

Hij drukte den Spanjaard hartelijk de hand en beiden traden de grot binnen.

Deze grot, of spelonk, zooals men haar noemen wil, was ruim en hoog en in verscheidene vakken of kamers verdeeld, die door groote op hun kant geplaatste matten van elkander werden bescheiden, ter hoogte van minstens acht voeten, en tien vertrekken of cellen vormden, vijf aan elke zijde der grot, en ongeveer twintig voeten van den ingang aanvang nemende, welke voorste ruimte was opengelaten om tot keuken en eetzaal te dienen.

De ingang van iedere cel was met een zarape gesloten, die aan het uiterste eind der afschutting was vastgehecht en bij wijze van gordijn tot op den grond afhing.

Aan het einde der galerij, tusschen de twee rijen cellen, was een ander vertrek, dat tot bergplaats diende; daar achter liep een natuurlijke gang onder den berg door, die na tallooze kronkelingen, eindelijk een uur verder, in eene bijna ontoegankelijke vallei of holle weg uitkwam.

Alles bewees dat deze grot niet tot legerplaats voor een of twee nachten was uitgekozen, maar sinds jaren door de jagers tot een vast verblijf was ingericht, die er zoo veel mogelijk al de gemakken hadden verzameld, welke men in deze van ieder beschaafde stad of dorp zoo ver verwijderde streken met mogelijkheid kon bijeenbrengen.

Rondom het vuur, over hetwelk een groote elandsbout hing te braden, zaten negen gewapende mannen stilzwijgend te rooken.

Sluiten