Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toen zij den Roode-Ceder zagen binnenkomen, stonden allen op om hem met warmen ij ver en met zekeren eerbied de hand te drukken'

Deze lieden droegen de kleeding der jagers of woudloopers.

Hunne sterk geteekende trekken, schelmachtige blikken en woeste aangezichten, waarop de sporen van alle onteerende en onedele hartstochten als met onuitwischbaar schrift waren afgedrukt, thans door het heldere licht van het vlammende haardvuur beschenen, deden eene zonderlinge uitwerking en gaven aan het gansche tooneel iets sombers en fantastisch, dat tegelijk schrik en afgrijzen inboezemde.

Reeds bij den eersten oogopslag kon men wel zien dat deze heden, een troep opgeraapte gelukzoekers, het schuim van alle natiën, in allerlei ondeugden verloopen en genoodzaakt naar de woestijn te vluchten om de slagen der menschelijke gerechtigheid te ontgaan die hen buiten de maatschappij had geworpen —aan diezelfde maatschappij een verbitterden oorlog had verklaard en, in één woord, niets anders waren dan hetgeen men de roovers der woestijn heeft genoemd.

Mannen zonder genade, honderd werf geduchter dan de Roodhuiden; onverlaten, die onder eene menschelijke gedaante een tijgerhart verborgen en die het wilde leven in de woestijn van het Verre Westen gekozen hebben, om er al de ondeugden van het blanke en roode ras in zich te vereenigen, zonder er een enkele hunner deugden te behouden; schurken, in één woord, die van niets anders willen weten dan van roof en moord, en die voor een handvol goud tot de grootste wandaden zouden in staat zijn.

Ziedaar het gezelschap dat de Roode-Ceder zoo ver was gaan zoeken. Haasten wij ons tevens om er bij te voegen, wat de lezer trouwens wel zal willen toestemmen, dat de Squatter onder dit volkje geenszins misplaatst was, en dat zijne antecedenten hem integendeel een zekeren graad van onderscheiding waardig maakten, van den kant dezer bandieten, die hij overigens reeds sedert lang kende.

„Caballeros," sprak Sandoval, terwijl hij met de grootste beleefdheid voor zijne confraters de briganten boog,daar is onze vriend de Roode-Ceder weder onder ons; laten wij hem onthalen als een goeden kameraad, wiens gezelschap wij maar al te lang hebben moeten missen en dien wij ons gelukkig rekenen weder te zien."

„Senores, antwoordde de Roode-Ceder, terwijl hij bij het vuur plaats nam, „ik ben u verplicht voor uwe hartelijke ontvangst, en ik hoop u weldra te bewijzen dat ik geen ondankbare ben."

„Welzoo! riep een der bandieten, „heeft onze vriend soms goed nieuws voor ons medegebracht? Het zou ons hoogst welkom zijn, of de drommel zal mij halen! Wij hebben ons reeds sedert eene maand moeten bekrimpen om rond te komen."

„Staat het wezenlijk zoo wrak met u?" vroeg de Squatter belangstellend.

Sluiten