Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Inderdaad," bevestigde Sandoval, „wat Pericco u zegt is de zuivere waarheid."

„Duivelsch!" hervatte de Roode-Ceder, „dan kom ik juist in tijds."

„Zoo riepen de bandieten, de ooren spitsend.

„Maar zeg eens, mij dunkt toch dat er in den laatsten tijd nog al veel karavanen door de prairie zijn gekomen; het ontbreekt er niet aan blanke pelsjagers, die men nu en dan van de zorg kan ontheffen door hun bevervellen te bewaren; ik hoor zelfs van onderscheidene ondernemingen der gambusinos."

„De gambusinos zijn even arm en berooid als wij," hernam Sandoval, „en wat de pelsjagers betreft, die doen ons juist het meeste afbreuk. Helaas! goede vriend, de woestijn is tegenwoordig niets meer waard; de blanken komen te veel opzetten, zij nemen langzamerhand al het terrein der Roodhuiden in bezit, en over tien jaar zullen, wie weet, misschien steden verrijzen, geen tien mijlen van de plaats waar wij ons thans bevinden."

„Er is veel waars in hetgeen gij daar zegt," mompelde de Roode-Ceder, bedenkelijk het hoofd schuddend.

„Ja," riep Pericco, „ongelukkig is het zeer moeilijk, zoo niet onmogelijk een middel er op te vinden."

„Misschien," riep de Roode-Ceder op zekere wijs zijn hoofd en schouders bewegende, dat de roovers zeer veel te denken gaf. „lntusschen," vervolgde hij, „daar ik een langen tocht gemaakt en mij schrikkelijk vermoeid heb, ben ik zoo hol en hongerig, dat ik met uw verlof ga eten, te meer daar het reeds laat is en het gebraad juist gaar zal zijn.

Zonder verderen omslag te maken, sneed de Roode-Ceder een groot stuk van den elandsbout, zette het voor zich neer en begon onmiddellijk te eten.

De roovers volgden zijn voorbeeld.

Gedurende eenigen tijd werd het gesprek hierdoor natuurlijk afgebroken.

Een jagersmaaltijd duurt echter niet lang; en deze liep des te sneller at', dank zij het ongeduld der bandieten, wier nieuwsgierigheid in de hoogste mate was opgewekt door het weinige dat de Squatter gesproken had.

„Welaan," hervatte Sandoval, terwijl hij een cigarette aanstak, „nu het souper is afgeloopen, kunnen wij een weinig praten; gij wilt immers wel, kameraad ?"

„Volgaarne," antwoordde de Roode-Ceder, het zich zoo gemakkelijk mogelijk makende, terwijl hij zijne pijp stopte.

„Gij hebt dus gezegd " vervolgde Sandoval.

„Met uw welnemen," viel de Squatter hem in de rede, „ik heb niets gezegd; maar gij hebt u, zoo ik meen, beklaagd over de blanken, die onze streken al meer en meer naderen en uw be-drijf bijna ten gronde richten."

„Daar hebt ge het, dat is juist wat ik gezegd heb."

Sluiten