Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„En als ik mij wel herinner, liet gij er op volgen, dat er onmogelijk een middel op te vinden zou zijn?"

„Waar gij op geantwoord hebt misschien.

„Inderdaad, ik geloof dat ik dat woord gezegd heb."

„Welnu ?"

„Welnu, ik zeg het nog eens."

„Ha! zeer goed, verklaar u dan nader."

„Met alle genoegen."

„Gij zult er ons plezier mede doen."

„Luistert dan wel toe."

„Wij zijn geheel oor."

„De zaak die ik u kom voorstellen is allereenvoudigst. Sedert eenige jaren nemen de blanken van lieverlede de woestijn in bezit, die binnen een gegeven tijd, een tijd zelfs die niet ver meer af is, geheel onder de aanhoudende poging der beschaving zal verdwijnen."

„Dat is waar."

„Welnu, zoo ge slechts wilt, zult gij binnen eene maand schatrijk wezen."

„Carai! dat willen we zeker," riepen de bandieten met geestdrift.

„Ik zal u in een paar woorden zeggen wat er van de zaak is. Ik heb eene goudmijn ontdekt van onberekenbare waarde. Een honderdtal mannen heeft zich reeds aan mij verbonden, en zijn twintig mijlen van hier gekampeerd. Hebt gij lust om hun voorbeeld te volgen en u aan mij te verbinden? Dan beloof ik aan elk uwer meer goud dan hij ooit in zijn leven gezien, of ooit gedroomd heeft te zullen bezitten."

„Waarachtig! dat is om te watertanden," riep Sandoval.

„Ik heb aan u gedacht, mijne oude kameraden," vervolgde de Roode-Ceder met geveinsde grootmoedigheid, „en daarom kwam ik hier. Gij kent thans mijn plan, denkt na over hetgeen ik u gezegd heb; morgen met zonsopgang kunt gij mij antwoorden."

En zonder zich verder in het gesprek te mengen, wikkelde de Roode-Ceder zich in een zarape, sliep weldra in en liet de bandieten onderling redekavelen over de kansen op fortuin die zijn heerlijk voorstel hun aanbood.

VI.

HET VOORSTEL.

Toen de Roode-Ceder het Verre Westen was ingetrokken, had hij met al de kennis die zijne veeljarige ondervinding als woudlooper hem aan de hand deed, een geschikt terrein uitgekozen om zijne

Sluiten