Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te herstellen en zoo in te richten dat hun kampement voor de scherpziende blikken der Indianen verborgen bleef.

Nauwelijks was het kamp in orde en oordeelde de Roode-Ceder dat zijn troep, ten minste gedurende zijne afwezigheid, genoegzaam beveiligd was, of hij riep de voornaamste opperhoofden te zamen om hun zijn voornemen mede te deelen.

Deze hoofden waren vooreerst Fray Ambrosio, ten tweede Andres Garote en de beide Canadeesche jagers, Harry en Dick, dan de twee zonen van Squatter, Nathan en Sutter, en eindelijk de Sachem der Coras.

In het midden des eilands had men verscheidene boomen moeten vellen, ten einde een geschikte plaats te bekomen om de vuren aan te leggen en de tenten der vrouwen op te stellen; en weldra stond de Roode-Ceder leunende tegen zijn gezadeld paard en omringd door de verschillende chefs.

„Senores," zeide hij, zoodra hij hen verzameld zag, „eindelijk zijn wij dan in het Verre Westen, thans begint onze eigenlijke onderneming; ik maak staat op uw moed en vooral op uwe ondervinding om haar tot een goed einde te brengen; maar de voorzichtigheid eischt, dat wij in deze prariën, waar wij ieder oogenblik voor de aanvallen onzer vijanden van allerlei soort, blootstaan, ons bondgenooten verschaffen, die ons in geval van nood krachtdadig kunnen beschermen. De hinderlaag aan welke wij nauwelijks achtenveertig uren geleden zoo gelukkig ontkomen zijn, maakt het ons ten plicht om onze werkzaamheid te verdubbelen en bovenal ons te haasten om met de vrienden die wij in de woestijn hebben ons in verband te stellen."

„Ja," zeide de monnik, „maar die vrienden waarvan gij spreekt, ken ik niet."

„Ik ken ze; dat zij u genoeg," antwoordde de Roode-Ceder.

„Zeer goed," hervatte Fray Ambrosio, „maar waar zijn zij?"

„Ik weet waar ik hen vinden moet. Gij zijt hier in eene uitmuntende stelling, in welke gij u lang genoeg zult kunnen staande houden, zonder vrees van er uit verdreven te worden. Hoor dus wat ik voornemens ben."

„Verklaar u, compadre, ik verlang uwe plannen zoo spoedig mogelijk te kennen," zei de monnik.

„Ik zal u dadelijk genoegen geven. Ik ga onmiddellijk mijne vrienden opzoeken, die ik zeker ben eenige mijlen van hier te zullen vinden; en gij blijft intusschen hier tot ik terugkom."

„Zoo! En denkt gij lang weg te blijven?"

„Twee dagen, of drie op zijn hoogst."

„Dat is lang genoeg," riep Garote.

„Gedurende dien tijd moet gij uwe tegenwoordigheid zooveel mogelijk verbergen, zoodat niemand vermoedt dat gij hier gekampeerd zijt. Ik zal u de tien beste schutters van het Verre Westen medebrengen, en met hunne bescherming en die van Stanapat,.

Sluiten