Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Het kan u toch niet onverschillig zijn," hervatte de monnik, „want gij zijt zulke groote vrienden niet met den gringo als gij wel wilt schijnen."

„Wij Indianen zijn zoo zwaar van begrip; mijn broeder zij dus zoo goed om zich nader te verklaren, opdat ik hem begrijpe en hem kan beantwoorden."

„Hoor eens," zei de monnik, min of meer scherp en onvriendelijk, „ik weet wie gij zijt; uwe vermomming, hoe knap gij uook hebt weten te verbergen, was niet voldoende om u voor mijn helderziend oog onkenbaar te maken ; op het eerste gezicht herkende ik u reeds. Denkt gij, als ik aan den Roode-Ceder gezegd had: die man is een spion of een verrader, hij dringt zich bij ons in, om ons in een sinds lang gespannen strik te vangen, in één woord, die man is niemand anders dan Mookapec, de voornaamste kazique der Coras, gelooft gij dan, zeg ik, dat de Roode-Ceder geaarzeld zou hebben om u terstond een kogel door het hoofd te jagen, zeg, hoofdman, wat antwoordt gij ?"

Onder deze woorden, welker beteekenis voor hem niet anders dan vreeselijk kon zijn, was de Coras uiterst kalm gebleven; geen spier van zijn gezicht had zich bewogen. Eerst toen de monnik zweeg, kwam er een minachtende glimlach op zijn lippen en zeide hij op hoogmoedigen toon, hem strak aanziende:

„Waarom heeft mijn vader dit niet terstond aan den scalpjager gezegd ? dat was uw plicht geweest."

Fray Ambrosio raakte geheel van zijn stuk door dit antwoord, dat hij in 't minst niet verwachtte, hij begreep dat hij met een van die krachtvolle karakters te doen had op welke bedreigingen geen vat hebben. Intusschen had hij zich te veel blootgegeven om terug te treden? hij besloot dus om vol te houden en er zich door te slaan, wat er ook van komen mocht.

«Misschien wel!" antwoordde hij met een kwaadwilligen glimlach, „maar in ieder geval, ben ik nog altijd in staat om onzen kommandant in te lichten zoodra hij terugkomt."

„Mijn vader doe wat hem goeddunkt," zei het opperhoofd droogjes. „Mookapec is een vermaard krijgsman, het geblaf der coyotes heeft hem nog nooit kunnen bang maken."

„Kom ! kom! Indiaan, gij hebt ongelijk," zei Garote, tusschenbeide komende, „gij begrijpt de bedoelingen van den senor padre geheel verkeerd; ik ben innig overtuigd dat hij u in geenen deele zoekt te benadeelen."

„Mookapec is geen oude vrouw, die men met praatjes kan misleiden," zei de Coras, „hij geeft al zeer weinig om de tegenwoordige bedoelingen van den man, die toen zijn dorp geplunderd en zijne broeders werden omgebracht, zijne vijanden tot moord en brandstichting opruide; de Sachem volgt zijn eigen wraak en hij zal die weten te bereiken, zonder zich daartoe met een zijner vijanden te verbinden. Ik heb gezegd."

Sluiten