Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daar binnen het geluid eener half gesmoorde stem, die haar bewoog om te blijven staan en opnieuw te luisteren.

Dona Clara sprak zacht tegen een man, en die man was de Sachem der Coras.

Ellen was er uiterst door verrast, en luisterde met gespannen aandacht naar een gesprek, dat weldra hare belangstelling op het levendigst boeide.

Na de twee Mexicanen verlaten te hebben, had de Arends-Veer eenige minuten door het kamp gewandeld en daarbij eene geveinsde onverschilligheid aangenomen, ten einde de vermoedens te verdrijven van hen die zijne stappen mochten willen in het oog houden.

Zoodra hij meende den argwaan genoeg bezadigd te hebben, naderde hij langzamerhand de hut waar de beide meisjes sliepen, en op het oogenblik dat hij zeker kon zijn dat niemand op hem lette, trad hij er binnen.

Dona Clara was thans alleen. Wij hebben den lezer reeds gezegd, waar Ellen zich bevond. Wat de vrouw van den Squatter betreft, gehoorzaam aan de bevelen van haar man, die haar gelast had de gevangene zoo min mogelijk te hinderen, had zij uit overmaat van voorzorg verkozen om bij het vuur in de open lucht te gaan slapen.

Het meisje lag in peinzende houding, met het hoofd op de borst gebogen en scheen in ernstige gedachten verdiept. Op het gedruisch der voetstappen van den Indiaan, hief zij het hoofd op, en schrikte onwillekeurig toen zij hem zag binnenkomen.

De Arends-Veer bemerkte terstond den indruk dien hij op haar teweegbracht; hij bleef op den drempel aan den ingang der hut staan, vouwde de armen op de borst en maakte eene eerbiedige buiging.

„Laat mijne zuster zich niet verontrusten," zeide hij met eene zachte vleiende stem, „het is een vriend die tot haar spreekt."

„Een vriend!" murmelde dona Clara terwijl zij hem bedeesd aankeek „de ongelukkigen hebben geene vrienden."

De Indiaan deed een paar stappen vooruit om nader bij het meisje te komen en sprak in gebogen houding:

„De jaguar heeft zich genoopt gezien de huid der listige slang aan te trekken, om tot zijne vijanden te kunnen doordringen, en hun vertrouwen te winnen: mijne zuster zal mii zeker niet herkennen?"

Dona Clara bezon zich een oogenblik, toen antwoordde zij aarzelend, terwijl zij hem oplettend aankeek:

„Ofschoon de klank uwer stem mij niet onbekend is, zoek ik mij vergeefs te herinneren waar of onder welke omstandigheden ik u vroeger gezien heb."

„Ik zal mijne zuster op den weg helpen," hervatte de ArendsVeer. „Eenige dagen geleden, bij den overtocht van het veer, heb ik reeds getracht haar te redden en was ik op het punt van te

Sluiten