Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

slagen; maar buiten dat heeft mijne zuster mij vroeger dikwijls gezien."

„Zoo gij mij den tijd en de omstandigheden nader beschrijft, zal ik het mij misschien kunnen herinneren."

„Laat mijne zuster er niet verder naar zoeken, het isnietnoodig; ik wil haar liever terstond mijn naam zeggen, want de oogenblikken zijn kostbaar. Ik ben Mookapec, de groote Sachem der Coras van del Norte; mijne zusters vader en mijne zuster zelve zijn aan de armen van mijn stam dikwijls onderstand komen verleenen."

„Dat is waar," riep het meisje treurig. „Ach ja! nu herinner ik het mij : die arme menschen! Zij zijn onbarmhartig vermoord en hun dorp is door de Apachen verbrand. O! die gruwzame historie is mij zeer goed bekend."

Bij deze woorden kwam er op de lippen van den Sachem een bittere glimlach.

„De coyotes vervolgen geene coyotes," zeide hij met een dolle stem, de jaguars zullen de jaguars niet verscheuren; evenmin hebben de Indianen de Coras vermoord, het zijn de scalpenjagers die het gedaan hebben."

„O!" riep zij met schrik.

„Dat mijne zuster hoore," hernam de Sachem met drift, „nu zij mijn naam weet, moet zij ook vertrouwen in mij stellen."

„Ja," antwoordde zij levendig, „want ik ken uw edel karakter."

„Ik dank u! Dat ik hier kom, is alleen om mijne zuster. Ik heb gezworen haar te zullen redden en aan haar vader terug te geven."

„Helaas!" murmelde zij treurig, „dat is onmogelijk; gij zijt alleen, en wij zijn door onze vijanden ingesloten! De bandieten die ons omringen zijn honderdmaal wreeder dan de wilde beesten der woestijn."

„Ik weet nog niet bepaald hoe ik het zal aanleggen om mijne zuster te redden," antwoordde de Sachem ferm, „maar zoo zij wil zal ik er in slagen."

„O!" riep zij met koortsachtige geestdrift, „of ik wil! Al wat gij zegt dat ik doen moet, doe ik zonder aarzelen. Aan mijn moed zal het niet haperen, hoofdman, wees daar verzekerd van."

„Goed!" hernam de Indiaan verheugd, „mijne zuster is wel ontwijfelbaar eene dochter der Mexicaansche koningen ; ik reken op haar als het uur zal gekomen zijn. De Roode-Ceder is voor eenige dagen vertrokken; ik ga voor de vlucht van mijne zuster alles gereed maken."

„Ga, hoofdman; op het eerste teeken dat gij mii geeft ben ik bereid u te volgen."

' „Goed! nu keer ik terug; laat mijne zuster maar moed houden, weldra zal zij vrij zijn."

De Indiaan boog voor dona Clara en was gereed om de hut

Sluiten