Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

uit te gaan, toen hem op een3 eene hand op den schouder werd gelegd. Bij deze onverwachte aanraking ging den Sachem, in weerwil van zijne zelfbeheersching, eene rilling van schrik door de leden.

Hij keerde zich om; de dochter van den Roode-Ceder stond voor hem.

Zij glimlachte.

„Ik heb alles gehoord," zeide zij met hare heldere en welluidende stem.

Het opperhoofd wierp dona Clara een langen treurigen blik toe.

„Waartoe die ontroering die ik op uw gelaat lees?" vervolgde Ellen ; „ik zal u niet verraden, ik ben de vriendin van dona Clara. wees volkomen gerust; zoo het toeval mij uw geheim heeft geopenbaard, zal ik er geen misbruik van maken; integendeel, zal ik u helpen ontvluchten."

„Is het mogelijk! Zoudt gij dat doen, Ellen?" riep dona Clara, terwijl zij haar om den hals vloog en haar hoofd aan haar boezem verborg.

„Waarom niet ?" antwoordde Ellen eenvoudig ; „gij zijt immers mijne vriendin?"

„Ja, ja, ik bemin u, want gy zijt goed; gij hadt medelijden met mijne smart en gij hebt met mij geschreid."

De Arends-Veer staarde het meisje aan met een blik van onbeschrijfelijke verwondering.

„Hoor eens," hervatte Ellen, „de middelen die u ontbreken zal ik u verschaffen, nog dezen nacht verlaten wij het kamp."

„Wij?" vroeg dona Clara, „wat wilt gij daarmede zeggen?"

„Daar wil ik mede zeggen," antwoordde Ellen levendig, „dat ik met u zal gaan."

„Kan dat mogelijk zijn ?"

„Ja!" riep zij droefgeestig, „ik kan hier niet langer blijven."

Toen het opperhoofd der Coras deze woorden hoorde trilde hij van vreugde; een vlammende blik fonkelde uit zijn zwarte oogen ; maar onmiddellijk hernam hij zijn gewone kalmte, zoodat de meisjes zijne ontroering niet opmerkten.

„Maar hoe zult gij ons de middelen verschaffen om te ontvluchten?"

„Dat gaat mij alleen aan, bekommert u daar niet over, ik herzeg u, nog dezen nacht zullen wij vertrekken."

„Dat het God behage!" zuchtte dona Clara vergenoegd.

Ellen wendde zich tot het opperhoofd.

„Weet mijn broeder hier ergens in de nabijheid een Indiaansch dorp," vroeg zij, „waar wij een schuilplaats kunnen vinden?"

„Twee zonnen van hier," antwoordde de Sachem, „in noordwestelijke richting, is een dorp door een stam van mijn volk bewoond; daar wilde ik de dochter van mijn blanken vader na hare ontsnapping heenvoeren."

Sluiten