Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„En zullen wij bij dien stam veilig zijn?"

„De dochter van Acamarichtzin zal er even veilig zijn als in de haciënda van haar eigen vader," antwoordde de Indiaan uitwijkend.

„Goed! maar kan mijn broeder het kamp verlaten?"

„Wie is machtig genoeg om de vlucht van den condor te verhinderen? Mookapec is een krijgsman, niets kan hem keeren."

„Mijn broeder zal vertrekken."

„Goed."

„Hij begeve zich langs den kortsten weg naar het dorp van zijn stam, daarna zal hij ons te gemoet komen met de krijgslieden die hij verzameld heeft, opdat hij ons verdedigen kan wanneer wij door de gambusinos mochten vervolgd worden."

„Zeer goed!" antwoordde de Indiaan verheugd. „Mijne zuster is jong, maar de wijsheid woont in haar hart; ik zal doen wat zij verlangt. Wanneer moet ik vertrekken?"

„Dadelijk."

„Ik vertrek; op welk uur denkt mijne zuster het kamp te verlaten ?"

„Zoodra de uil voor de eerste maal zijn hymne zingt aan de opgaande zon."

„Dan zal mijne zuster mij ontmoeten vier uren na baar vertrek, op zijn allerlaatst; zij herinnere zich om bij hare vlucht onveranderd koers te houden naar het noordwesten."

,,Ik zal dien houden."

De Arends-Veer maakte voor dona Clara en Ellen eene eerbiedige buiging, en ging de hut uit.

De gambusinos lagen in diepen slaap rondom hunne vuren; alleen Harry en Dick waakten.

De Coras sloop als een schim tusschen het geboomte door en kwam zonder opgemerkt te worden tot aan den rand van het water, hetgeen hem des te gemakkelijker viel, daar de twee Canadeezen niet zoo zeer het eiland bewaakten, waar zij wel wisten dat geen gevaar te vreezen was, maar integendeel de oogen steeds op de prairie gevestigd hielden.

De Sachem trok zijne kleederen uit, van welke hij een pak maakte dat hij op zijn hoofd bond; toen liet hij zich in de rivier afglijden en zwom zoo stil mogelijk naar den overkant, waar hij weldra aan land stapte.

Zoodra de Indiaan de hut uit was gegaan, boog Ellen over dona Clara, drukte haar een teederen kus op het voorhoofd en zeide zacht:

„Zie dat gij een paar uren kunt slapen, terwijl ik alles voor onze vlucht in gereedheid breng."

„Slapen!" antwoordde dona Clara, „hoe zou ik dat kunnen bij zooveel onrust als mij verteert?"

„Het is zeer noodig voor u," zei Ellen dringend, „want morgen zullen wij groote vermoeienis moeten doorstaan."

Welaan dan," riep dona Clara gedwee, „dan zal ik het beproeven, als gij er zoo op aandringt."

Sluiten