Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De twee vriendinnen kusten elkander en wisselden een handdruk ging op hare beurt mede de hut uit en keek nog eens om naar hare vriendin, die haar met verlangenden blik naoogde

Toen Dona Clara alleen was, zonk zij op de knieën, vouwde de handen samen en bad vurig tot God; hierdoor in haar vertrouwen °P de«. Almaehtigen versterkt en merkelijk rustiger geworden vlijde zij zich neder op den hoop dorre bladeren die haar tot' legerstee diende en trachtte een poos te slapen zooals zij aan

VIII.

DE VLUCHT.

De nacht omhulde de woestijn, een nacht kalm en helder, terwijl de donkerblauwe hemel tintelde met duizenden sterren.

,?ne plechtige stilte heerschte in de prairie, alles op het eiland sliep, behalve de twee Canadeesche jagers, die de wacht hielden en, op hunne buksen geleund, met verstrooiden blik tuurden naar de zwarte schimmen der verscheurende dieren, die met langzamen tred naderden om hun dorst te lesschen in de rivier. Van tijd tot tijd ruischte de nachtwind door de bovenste takken en deed de hoogste toppen der boomen statig wuiven; somwijlen huiverde ook door de lagere struiken een lichte koelte en hoorde men het trillende blad sidderen met geheimzinnig gefluister.

Dick en Harry, door den indruk der natuur getroffen, durfden nauwelijks spreken en wisselden slechts nu en dan zacht eenige woorden, om de langwijlige nachtwaak te verschalken, tot welke zij als de wakkersten van den troep verplicht waren, toen er op eens eene witte gestalte door de boomen sloop, en Ellen in hun midden verscheen.

De beide jongelingen ontroerden toen zij haar zagen.

Het meisje groette hen met een glimlach, zette zich op het gias neder, en noodigde hen met een minzamen wenk om bij haar te komen zitten, daar zij niets tegen hadden en haastie gehoor aan gaven.

Het was eene bevallige groep van deze drie jeugdige personen in zulk een kalmen nacht, op dit bekoorlijk eiland, dat zijn schaduwrijk geboomte honderd twintig voet hoog boven hunne hooiden deed wiegelen, aan den oever van den breeden stroom, op wiens zilveren watervlak het heldere maanlicht zich afspiegelde enn . aan hunne voeten murmelde met streelend geklater.

De jagers hadden geen oog van het meisje af, en zij lachte hen toe met die kinderlijke bevalligheid die geene beschrijving wa"en zou weer te geven.

Sluiten