Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Gij waart samen aan 't praten toen ik hier kwam," zeide zij.

„Ja," antwoordde Harry, „wij spraken over u, Ellen."

„Over mij!" riep zij.

„Wel! waar zouden wij anders over spreken, als over u?" zei Harry.

„'t Is immers alleen om uwentwil dat wij ons onder deze bende hebben begeven," mompelde Dick op een toon van blijkbare ontevredenheid.

„Beklaagt gij u dan dat gij hier zijt?" vroeg zij met eenzachten glimlach.

„Dat zeg ik juist niet," antwoordde de jongman, „maar wij zijn niet op onze plaats onder deze lieden zonder eer of geloof. Wij zijn vrije en eerzame jagers, eerlijke woudloopers; het leven dat wij hier leiden valt ons zwaar."

„Was het dan daarover niet dat uw gesprek liep, toen ik u zoo onverwachts kwam storen?"

Beiden zwegen stil.

„Antwoord mij vrijmoedig," hervatte zij. „Mijn God! gij weet wel dat dit leven mij even hard valt als u."

„Weet ik het?" riep Harry, „heb ik u niet meermalen aangeboden te vluchten en deze menschen te verlaten, die hunne handen gedurig met bloed bezoedelen? maar gij hebt dit altijd bepaald geweigerd."

„Dat is zoo," riep zij zwaarmoedig. „Helaas! al zijn deze mannen misdadigers, een van hen is mijn vader."

„Sedert twee jaar zijn wij u gevolgd; overal en altijd hebt gij ons hetzelfde antwoord gegeven."

„Dat was omdat ik altijd hoopte dat mijn vader en mijne broeders hun misdadig beroep zouden laten varen."

„En nu?"

„Nu hoop ik niet meer."

„Dus?" riep Harry met drift.

„Ben ik gereed u te volgen," antwoordde zij eenvoudig. ^ „Spreekt gij de waarheid? Spreekt gij uit grond van uw hart, Ellen? Zoudt gij wezenlijk lust hebben om uwe familie te verlaten en u aan onze zorg toe te vertrouwen?"

„Hoor eens," antwoordde zij somber, „sedert twee jaar heb ik veel gezien en overwogen, en hoe meer ik er aan denk, hoe meer het mij toeschijnt dat de Roode-Ceder mijn vader niet is."

„Zou dat mogelijk zijn?" riepen de jagers verbaasd uit.

„Ik kan niets met zekerheid zeggen; maar er schemert mij iets uit de verste verte in het geheugen, en mij dunkt, al is het ook voor mijn gezicht in dikke nevelen gehuld, — mij dunkt, er staat mij iets voor, van een ander leven, geheel verschillend van hetgeen ik thans leid."

„Herinnert gij u niets bepaalds?"

„Niets; maar ik zie als in een droom, eene schoone bleeke

Sluiten