Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geeft ons twaalf a veertien uren vooruit, daar wij ons voordeel mee kunnen doen om zoo ver mogelijk weg te komen.

„Ik wensch het van harte," riep Harry, „maar eer wij ons op weg begeven, moeten wij vooraf bepalen waarheen."

„O!" zei Ellen, „de richting die wij te volgen hebben, is gemakkelijk te vinden, wij moeten niet anders dan rechtuit naar het noordwesten."

„Het zij zoo," hernam de jager, „ik houd die richting voor even goed als iedere andere, het voornaamste is hier om te maken dat wij wegkomen, hoe verder hoe beter en zonder tijd te verliezen; maar waarom juist naar het noordwesten boven iedere andere windstreek? dat begrijp ik niet."

Ellen begon te lachen.

„Omdat," zeide zij, „een vriend van ons, dien gij wel kent, ik bedoel den Indiaanschen hoofdman die zich in onze bende bevond, reeds een paar uren geleden het kamp heeft verlaten en voor ons uit is gereden, om zijne krijgslieden te verzamelen en ons versterking toe té zenden wanneer men ons mocht willen vervolgen."

„Goed bedacht!" riep de jager; „op weg dan, oogenblikkelijk, en onze paarden niet gespaard, van hunne snelheid hangt ons behoud af."

Thans boog zich een ieder over den hals van zijn rijbeest, en de kleine troep vertrok pijlsnel in noordwestelijke richting, zoo als was afgesproken.

Weldra waren de vier ruiters in de duisternis verdwenen; het dreunen der paardenhoeven op den harden grond stierf allengs in de verte weg en alles keerde tot de vorige stilte terug.

Op het eiland lagen de gambusinos nog in diepe rust.

IX.

DE TÉOCALI.

Wij zullen thans zien wat er intusschen van Valentin en zijne medgezellen geworden is.

De zes ruiters galoppeerden steeds voort in de richting der bergen. Tegen middernacht maakten zij halt bij eene groote granietmassa, die zich eenzaam en somber in de wildernis verhief.

„Hier is het," zeide de Zoon des Bloeds, terwijl hij dadelijk afsteeg.

Zijne kameraden volgden zijn voorbeeld.

Valentin wierp een langdurigen en bespiedenden blik om zich heen.

„Als ik mij niet vergis," zeide hij, „dan moet uw verblijf veel hebben van een arendsnest."

„Of van een gierennest," antwoordde de onbekende min of meer stuursch, „wacht maar een oogenblik."

De Roovers der Prairiën. 4

Sluiten